Secondary menu

Telen zonder ploeg

13/10/2010 - R. van der Weide, D. van Balen en G. Meuffels - PPO-agv

Waar gaat dit over?

De laatste jaren is er wereldwijd, en ook in Nederland, in de landbouw meer interesse ontstaan voor de niet-kerende grondbewerking. In dit artikel worden diverse aspecten van een dergelijke grondbewerking beschreven.
Er is niet één systeem voor niet-kerende grondbewerking. Er zijn zeer veel systemen, die niet over één kam kunnen worden geschoren. Objectief onderzoek om die verschillende ook innovatievere systemen te vergelijken onder Nederlandse omstandigheden ontbreekt nog grotendeels en werd in 2009 op klei gestart. Bovendien gaan de ontwikkelingen op een aantal plaatsen zeer snel en wordt er veel vooruitgang geboekt in systemen en apparatuur naar de nieuwste inzichten. Daar de potentiële voordelen zowel voor de portemonnee als het milieu erg groot zijn, is het nuttig om de ontwikkelingen te volgen. Dit kan o.a. door naar open dagen en demonstraties te gaan.

Achtergrond

De laatste jaren is er wereldwijd, en ook in Nederland, in de landbouw meer interesse ontstaan voor de niet-kerende grondbewerking (in de rest van dit artikel NKG genoemd). Deze toename in belangstelling is tweeledig. Enerzijds biedt het niet of minder bewerken van de bodem voordelen voor de teler, denk aan een lager energieverbruik, minder arbeid en lagere mechanisatiekosten. Anderzijds is er van uit de samenleving meer bewustwording en druk op de landbouw om de gevolgen van klimaatsverandering tegen te gaan en de kwaliteit van bodem en water te verbeteren.
Dit heeft er toe geleid dat er een discussie is ontstaan naar de mogelijkheden en noodzaak van NKG-technieken. In Zuid Limburg wordt al geruime tijd door agrariërs op erosiegevoelige percelen niet meer geploegd, maar NKG toegepast. Op de (zwaardere) lössgronden wordt door enkele telers alleen voor de teelt van aardappelen geploegd om een voldoende los pootbed te verkrijgen.
De ontwikkelingen met name in het buitenland staan niet stil en er zijn daar inmiddels diverse verschillende teeltwijzen ontwikkeld met minder of geen grondbewerking.

Teeltsystemen en terminologie

Vooral in Zuid-Amerika, de Verenigde staten, Canada en Australië zijn veel verschillende teeltsystemen en technieken ontwikkeld. Ook vinden er nog voortdurend innovaties plaats in apparatuur om specifieke problemen aan te pakken. Dit heeft er toe geleid dat er veel verschillende vormen van minimale grondbewerking bestaan, met veel verschillende en soms verwarrende terminologie.
In West-Europa en ook Nederland is de ontwikkeling van deze teeltsystemen nog niet zo ver, hoewel vooral in Engeland, Duitsland, Frankrijk en Zwitserland de arealen waarop niet geploegd wordt ondertussen aanzienlijk zijn. Vaak zijn er nog geen geschikte termen gevonden voor de Engelse terminologie. Met een toenemende mate van het niet bewerken van de grond kan het volgende onderscheid gemaakt worden:

  • niet kerende maar wel bewerken van de grond (de grond wordt niet geploegd maar wel bewerkt met diverse soorten cultivatoren in veel gevallen in combinatie met een aangedreven werktuig (rotorkopeg of frees), praktijk op diverse percelen in vooral Limburg, Veenkoloniën en Oldambt);
  • ruggenteelt (de grond wordt niet geploegd maar er worden rechtstreeks ruggen gemaakt waarop de gewassen groeien, de ruggen worden echter wel gesplitst en verplaatst, o.a. uitgeprobeerd op de Kollumerwaard en een praktijkperceel in Munnekezijl);
  • permanente ruggenteelt (de ruggen worden opgebouwd en blijven daarna op dezelfde plek, waarbij alleen de top verwijderd en weer aangeaard wordt, in onderzoek bij WUR in Lelystad)
  • strokenteelt (Engelse benaming: strip tillage), waarbij alleen een strookje grond bewerkt wordt (foto 1a, in onderzoek bij WUR en Lois Bolk);
  • Geen bewerking en directe zaai bij voorkeur in een groenbemester die op de grond blijft liggen (Engelse benaming: notill), zie foto 1b).
Afbeelding 1a. Strokenteelt.

Strokenteelt

Afbeelding 1b. Links directe zaai zonder bewerking.

Links directe zaai zonder bewerking

Voordelen en nadelen

Het niet (kerend) bewerken van de grond kent diverse voordelen. De mate waarin deze optreden verschillen met de gekozen systemen. Voordelen die worden geclaimd (referenties zie het bijgevoegde rapport, p. 13 en 14 en http://www.fao.org/ag/ca/1c.html ) zijn:

  • Extra koolstof opslag in de bodem tot 0.2 ton C per ha per jaar door verminderde afbraak en door verbeterde mogelijkheden van jaarrond groen houden van percelen;
  • Betere droogtetolerantie (1% o.s. = 150 m3/ha);
  • Betere wateropslag, waterinfiltratie en minder erosie (>90% bij direct zaai en >60% bij niet-kerend);
  • Betere oppervlaktewaterkwaliteit door minder af- en uitspoeling meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen;
  • Besparing aan brandstof (15 tot 80%);
  • Besparing aan arbeid (tot 60%);
  • Besparingen aan machines en minder onderhoudskosten;
  • Betere draagkracht van de bodem;
  • Minder emissie van CO2, N2O, CH4;
  • Verhoogde ondergrondse en bovengrondse biodiversiteit;
  • Op termijn besparingen aan nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen;
  • Soms opbrengstverhoging.

Er zijn echter ook een aantal uitdagingen en knelpunten:

  • Onbekendheid met de mogelijkheden van de innovatievere systemen in Nederland en Europa;
  • Nieuwe ofwel aangepaste machines nodig voor de uitvoering;
  • Bij het omschakelen van een systeem van kerende landbouw naar niet kerende systemen duurt het meerdere jaren voordat een nieuwe stabiliteit optreedt en zijn de risico’s aanvankelijk groter en wordt daarvoor vaak leergeld betaald;
  • Uitdaging om rooigewassen (aardappel,peen) met minimale grondbewerking te telen;
  • Uitdaging om fijnzadige gewassen die een zeer goede zaaibedbereiding vergen met minimale grondbewerking te telen (uien, peen);
  • Aangepaste onkruidbeheersing nodig en extra onzekerheden in de gewasbescherming (een aantal onkruiden, ziekten, plagen gaan mogelijk meer voorkomen);
  • Minder correctiemogelijkheden met bemesting en een aangepaste in de tijd variërende behoefte;

Andere bemestingstechniek en meststoffen nodig (o.a. injectie);

  • Uitdagingen in voorkomen van compactie of oplossen van compactie bij niet ploegsystemen/minimale grondbewerking.
  • Het op de juiste manier uitvoeren van NKG is veel meer dan bij ploegen afhankelijk van de juiste weersomstandigheden en bodemomstandigheden (bodem moet voldoende droog zijn). 
  • Aanwenden van organische mest in het voorjaar in combinatie met NKG vormt in de praktijk nog wel eens een probleem (structuurbederf).
Afbeelding 2. Eén van de mogelijkheden om compactie te voorkomen is het bewerken vanaf vaste rijpaden (toegepast in het onderzoek op de Broekemahoeve in Basis).

vaste rijpaden

Onderzoek

Zoals gezegd is vooral in het buitenland veel onderzoek naar NKG gedaan. In 2008 is door PPO-AGV een literatuurstudie (Nederlandse en buitenlandse ervaringen, onderaan dit artikel als bijlage te vinden) gedaan naar de effecten van NKG om meer zicht te krijgen op welke aspecten van NKG helder zijn en welke niet.
Op de lössgrond wordt onderzoek uitgevoerd door PPO op de onderzoekslocatie Wijnandrade en op praktijkbedrijven, veelal in opdracht van de provincie en in samenwerking met Belgische onderzoeksbureaus.. In 2009 is er betaald vanuit het BO programma van het ministerie van LNV en met medefinanciering door SPF bij de WUR meerjarig veldonderzoek gestart in Lelystad op kleigrond. Er is systeemonderzoek gestart op de Broekemahoeve in een akkerbouw rotatie (BASIS) en op de Waiboerhoeve (notill/ridgetill) in maïs.
Het onderzoek richt zich op de volgende actuele kennisvragen:

  • Inzichten t.a.v. teeltsystemen met verminderde en/of geen kerende grondbewerking, de daarvoor benodigde machines en technieken en de aanpassingen daarin om o.a. nieuwe ridgetill en notill technieken bruikbaar te maken voor duurzame en biologische teelt in maaigewassen maar zo mogelijk ook in rooivruchten;
  • Inzichten in de ontwikkeling van gewasopbrengsten, energiegebruik (direct en indirect), broeikasgasemissies,  nutriëntenbehoefte, gewasbeschermingconsequenties en kosten bij verschillende grondbewerkingsystemen in interactie met de gekozen vruchtwisseling en de in te zetten groenbemesters;
  • Ontwikkeling van de bodemfysische en –chemische eigenschappen.
  • Ontwikkeling van de biodiversiteit onder de grond (wormenpopulatie) onder invloed van grondbewerking en de invloed van permanente groenstroken.
  • Inzichten in de optimale keuze van groenbemesters om als biologische ploeg in bouwplanverband de bouwvoor voldoende los te houden of als bodembedekker een in de groenbemester gezaaid gewas onkruidvrij te houden;
  • Methoden voor beheersing van groenbemesters(resten) en meerjarige onkruiden met minimale bewerking en zonder of met minimale chemie;
  • Ontwikkeling van nieuwe best practices voor de beheersing van onkruiden, ziekten en plagen en bemesting;
  • Potentie van moderne technieken (GPS, ICT, sensoren etc., robotisering (van groot en zwaar naar klein en licht)) voor toepassing van systemen met verminderde grondbewerking.

Conclusies en aanbevelingen voor de praktijk

Er is niet één systeem voor NKG. Er zijn zeer veel systemen, die niet over één kam kunnen worden geschoren. Objectief onderzoek om die verschillende ook innovatievere systemen te vergelijken onder Nederlandse omstandigheden ontbreekt nog grotendeels en werd in 2009 op klei gestart. Bovendien gaan de ontwikkelingen op een aantal plaatsen zeer snel en wordt er veel vooruitgang geboekt in systemen en apparatuur naar de nieuwste inzichten.
Daar de potentiële voordelen zowel voor de portemonnee als het milieu erg groot zijn, is het nuttig om de ontwikkelingen te volgen. Dit kan ook door naar open dagen en demonstraties te gaan. Open dagen en demonstraties en nieuws worden gemeld in de vakbladen maar ook op http://bodemacademie.nl/, www.nietkerendegrondbewerking.nl, http://www.wur.nl/ en op www.duurzaambodembeheer.nl.
Wanneer U zelf aan de slag wilt met NKG is het zaak om hiervoor wel een geschikt perceel te nemen. Daar mest slechter door de bouwvoor gemengd kan worden bij sommige vormen van NKG, moet de uitgangsbemestingstoestand goed zijn. Verder zijn niet alle bodems en omstandigheden geschikt voor NKG. Voorbeelden van niet of weinig geschikte gronden zijn:

  • Gronden die bij aanvang van de omschakeling al te dichte lagen hebben;
  • Gronden met slechte drainage op locaties met veel neerslag;
  • Bodems met hoge percentages zilt of fijn zand en een zwakke, onstabiele structuur;
  • Gronden met een hoge concentratie van niet zwellende kleimineralen.

Een goed gebruik van groenbemesters en oriëntatie en ervaring opdoen met geschikte apparatuur is erg belangrijk.

Bronnen en meer info

http://www.fao.org/ag/ca/index.html
http://www.ag.auburn.edu/auxiliary/nsdl/scasc/
http://www.no-tillfarmer.com/
http://rodaleinstitute.org/
Bijgevoegd rapport, Weide, R.Y. van der; Alebeek, F.A.N. van; Broek, R.C.F.M. van den (2008)