Secondary menu

Teelthandleiding pootaardappelen - poten en pootmachines

15/07/1996 - C.B. Bus - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit deel van de teelthandleiding pootaardappelen wordt ingegaan op het poten en de pootmachines.

Poten

De diepte waarop de poters bij het poten van aardappelen worden neergelegd, dient doorgaans zodanig te zijn dat de bovenkant van de poters net onder het maaiveld ligt. Alleen op droogtegevoelige grond is het verstandig 2 à 3 cm dieper te poten. Op zwaardere grond wordt de pootdiepte vooral bepaald door de dikte van het pootbed. Het is daar vaak moeilijk om 8 cm losse grond te verkrijgen. Men kan dan beter met 1 à 2 cm losse grond minder volstaan, zonder versmering van de ondergrond, dan toch te streven naar een laag van 8 cm dikte. Tussen de onderkant van de poter en de vaste ondergrond moet 1 à 2 cm losse grond aanwezig zijn. Is deze er niet of is de pootdiepte onregelmatig dan is de kans groot dat bij het rooien knollen worden doorgesneden of dat veel kluiten uit de vaste ondergrond worden meegerooid. De afstand tussen de rijen moet bij het poten gelijk zijn zodat bij latere bewerkingen zoals frezen, aanaarden, schoffelen, loofklappen of trekken en rooien geen planten en knollen worden beschadigd. Vaak doet zich echter het probleem voor dat de markeurs niet voldoende nauwkeurig zijn afgesteld, waardoor de afstand tussen aansluitrijen niet klopt. Om nauwkeurig te kunnen werken, dienen de werkbreedtes van de verschillende machines op elkaar te zijn afgestemd. Na tweerijïg poten moet bij voorkeur tweerijïg worden aangeaard en tweerijïg worden loofgeklapt of getrokken. Na vierrijïg poten is twee- of vierrijïg aanaarden en loofklappen of -trekken mogelijk. Het verdient aanbeveling zoveel mogelijk de werkgangen van de pootmachine te volgen.

De breedte tussen de kopakkerrijen en de veldrijen moet minstens drie meter zijn om bij het aanaarden of rugopbouw en spuiten tussen de rijen te kunnen rijden zonder de ruggen te beschadigen. Om bij de oogst goed tussen de rijen te kunnen komen dient de kopakker minimaal 10 m breed te zijn. Om redenen van effiëncy, maar ook omdat de kwaliteit van het te oogsten produkt vaak iets minder is, kiezen steeds meer pootgoedtelers ervoor de kopakkers niet te poten.

Poters in het midden van de ruggen

Bij de rugopbouw is het belangrijk dat de ruggen midden boven de gepote knollen worden opgebouwd. Gebeurt dit niet, dan groeien de planten aan de zijkant uit de rug, beschadigen de trekkerwielen loof en knollen en kunnen extra veel groene knollen en verliesknollen het gevolg zijn. Ook kunnen de poters uit de rij worden gedrukt of onregelmatig worden verschoven wanneer bij het poten de toedekschijven te nauw zijn afgesteld. Een krom gepote rij is niet te corrigeren met aanaarden of frezen!

Met behulp van een spoorvolgend systeem blijkt het goed mogelijk te zijn om de rug precies boven de poters te leggen. Er is een tweetal mogelijkheden:

Mechanisch: midden achter de pootmachine wordt een geul getrokken. Op de aanaarder of frees zit een volgschijf, die door de geul loopt. De volgschijf voorkomt dan het 'drijven' van de machine zodat de rug precies boven de poters komt.
Elektronisch: er zijn ook elektronische spoorvolgsystemen ontwikkeld, waardoor de frees of aanaarder na het poten precies de pootrug volgt.

Pootmachines

Het poten kan met verschillende typen pootmachines plaatsvinden. Ze zijn te onderscheiden in:

  • het aantal rijen dat ze per werkgang kunnen poten;
  • de wijze van koppeling aan de trekker, getrokken of in driepuntsophanging;
  • de wijze van transport van de poters in de machine, vertikaal met een band met bakjes of lepels of met een horizontale verdeelband;
  • in grootte en uitvoering van de voorraadbak, een starre of een kipbak.

De meest gebruikte zijn de volautomatische twee- en vierrijige machines met pootbekers, tegenwoordig veelal uitgevoerd met een opvoerband met twee rijen bekers. Daarnaast wordt bij pootaardappelen veel gebruik gemaakt van machines met horizontale verdeelbanden zoals de Structural-snarenpootmachine en de Vicon-Koningsplanter. In principe kunnen alle typen pootmachines goed werk leveren, al is bij gelijke rijsnelheid de kiembeschadiging bij het ene type machine wat groter dan bij de andere. Kiembeschadiging bij het poten hangt vooral af van de mate waarin de poters tijdens het vullen van de pootmachine (mensenwerk) en in de pootmachine tijdens het poten, langs elkaar bewegen. Voor het poten van goed voorgekiemd pootgoed verdienen systemen met horizontale snaren of verdeelbanden, zonder bekers of bakjes, de voorkeur, omdat ze de minste kiembeschadiging geven.

Tussen pootmachines kan ook de regelmaat in afstand in de rij wat verschillen alsmede de hoeveelheid pootgoed die in één werkgang kan worden meegenomen.

Grondbewerking en poten kan ook in één werkgang worden uitgevoerd. Het grote voordeel hiervan is dat de rijsporen van de grondbewerking niet onder de ruggen komen te liggen. Voorts kan één man al het werk doen, zij het op zavel en kleigronden met een geringere pootcapaciteit omdat de grondbewerking geen al te hoge rijsnelheid toelaat.

Afbeelding. Aardappels poten met een vierrijige pootmachine.

Andere informatie over grondbewerking voor pootaardappelen