Teelthandleiding luzerne - zaaizaad en inzaai

15/12/1998 - D.A. van der Schans - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit hoofstuk van de teelthandleiding luzerne wordt ingegaan op de rassenkeuze bij en het zaaien van luzerne.

Bij het inzaaien van luzerne komt allereerst de rassenkeuze aan de orde. Het ras moet zoveel mogelijk bij het teeltdoel passen. Ook moet duidelijk zijn of het zaad vooraf met entstof moet worden behandeld of ontsmet. Verder zijn het zaaitijdstip, het zaaien van een ...

Rassenkeuze

Tot 1997 stonden er twee rassen in de Nederlandse Aanbevelende rassenlijst. Dit waren de rassen Maya en Resis. Van 1993 tot en met 1996 zijn naast deze rassen in het rassenonderzoek zestien nieuwe rassen beproefd. Een aantal van deze rassen is in de rassenlijst 1998 opgenomen (zie tabel 1).
De rassen op de rassenlijst zijn zowel op klei- als op zandgrond onderzocht. Er is echter geen verschil in rasvolgorde tussen de twee grondsoorten gebleken, waardoor één lijst voor beide grondsoorten is opgesteld.

Tabel 1. Aanbevolen rassen voor zand- en kleigrond (Bron: Rassenlijst veehouderij 2009).
RasVroegheid bloeiStevigheidDroge stofgehalte (%)Ruw eiwitopbrengst *Droge stofopbrengst *
Diane7,57,517,6102101
Sanditi9718,099101
Mercedes6717,7102101
Capri6,57,518,198100
Daisy66,517,4102101
100= .... ton/ha   2,511,9

* In verhoudingsgetallen (hoge cijfers in de lijst betekenen een vroege bloei en een goede stevigheid)

De gebruikswaarde van luzerne wordt in de rassenlijst weergegeven door een beoordelingscijfer voor vroegheid van bloei en stevigheid en door het weergeven van het niveau van de ruw eiwit- en drogestofopbrengst ten opzichte van de gemiddelden (een verhoudingsgetal). Ook is het gemiddelde drogestofgehalte bij de oogst vermeld. Het teeltdoel bepaalt het belang van de afzonderlijke factoren. Voor de teelt ten behoeve van drogerijen zijn stevigheid en drogestofopbrengst de belangrijkste factoren, omdat het gewas vaak pas in een laat stadium wordt gemaaid. Een minder stevig gewas zal eerder legeren. Legering kan tot grote opbrengst- en kwaliteitsverliezen leiden.
Als luzerne als ruwvoeder op een rundveehouderijbedrijf wordt gebruikt, is de voederwaarde belangrijk. Omwille van een hoge voederwaarde wordt in een vroeger stadium gemaaid (zie paragraaf maaitijdstip). Hierdoor is de kans op legering minder groot. Stevigheid is voor deze toepassing minder belangrijk. Uit het rassenonderzoek is niet gebleken dat rassen met dunnere stengels (lagere beoordeling voor stevigheid) een betere voederwaarde hebben. Het raskenmerk vroegheid van bloei geeft aan dat een ras een kortere of langere periode van vegetatieve groei doormaakt. Bij vroegere bloei kan het gewas vroeger worden geoogst waardoor de sneden lichter zijn.
Resistentie tegen stengelaaltjes is in het recente rassenonderzoek ook onderzocht. Met name in gebieden of op percelen waar stengelaaltjes voorkomen, is het belangrijk deze eigenschap zwaar mee te wegen bij de keuze van het ras. Het ras Mercedes bleek een hoger resistentieniveau tegen het stengelaaltje te bezitten dan de overige rassen.

Zaad

Voor een snelle kieming en goede beginontwikkeling moet het zaad van goede kwaliteit zijn. Uitgangspunt moet zijn dat NAK-gecertificeerd, niet overjarig zaad wordt gebruikt.
Op percelen waarvan niet zeker is of Rhizobium meliloti in de bodem aanwezig is, moet zaad worden gebruikt waarop de bacterie is aangebracht (geënt zaad). Bacteriesuspensies kunnen los worden besteld bij de zaaizaadleverancier. De bacteriën zitten hierbij in een venige substantie die door middel van onderstaand recept op het zaad moet worden gebracht.

Recept enting luzernezaad
  • per 10 kg zaad 500 ml behangplaksel aanmaken
  • de entstof met de behangselplak tot een glad papje roeren
  • het zaad in een cementkuip of een betonmolen storten
  • het papje met de entstof toevoegen
  • goed roeren tot het papje goed door het zaad is gemengd
  • kalk toevoegen tot het zaad weer droog is
  • het zaad zo snel mogelijk zaaien
  • het zaad kan donker en koel (< 5° C) enige dagen worden bewaard

De bacterie vestigt zich goed in een neutraal kalkrijk milieu. Na het enten van het zaad wordt het daarom met een laagje kalk omhuld (prillen). Door enten en prillen van het zaad is de beginontwikkeling beter en is de opbrengst van met name de eerste snede hoger. Van sommige rassen kan kant en klaar geënt en geprild zaad worden gekocht.
Het combineren van entstof met zaadontsmettingsmiddelen (insecticiden en fungiciden) kan invloed hebben op de overlevingskansen van de bacteriën. Indien zelf geënt en ontsmet wordt, moet de leverancier van de entstof om advies worden gevraagd.
Als er zelf wordt geënt, is het zelfs raadzaam binnen enkele dagen te zaaien. Als de termijn van opslag of de opslagcondities aanleiding geven aan de vitaliteit van de bacteriën te twijfelen, kan beter opnieuw worden geënt. Van tevoren geënt zaad moet binnen de houdbaarheidstermijn worden gezaaid. Bacteriën op geënt zaad blijven slechts enkele maanden levenskrachtig, mits koel, donker en droog bewaard.
Gecoat zaad is door het enten en inhullen met kalk zwaarder dan naakt zaad. Van het gecoate zaad hoeven echter niet meer kilo's per hectare gezaaid te worden dan van naakt zaad, aangezien gecoat zaad een beter opkomstpercentage heeft. Uiteindelijk zal het plantgetal gelijk zijn.

Inzaaien

Voor de kieming van het zaad moeten bodemstructuur en pH goed zijn. Deze dienen voor het zaaien in orde gemaakt te worden. Het zaaibed moet fijn, ondiep (circa 2 cm) en vlak zijn, met een goede aansluiting naar de ondergrond, vergelijkbaar met dat voor gras of bieten. De ondergrond moet goed doorwortelbaar zijn. Met een penetrometer kan de indringingsweerstand van het profiel worden bepaald en kunnen storende lagen worden opgespoord. Zo nodig kunnen storende lagen worden verbroken.
Op zandgrond wordt in het algemeen in het voorjaar vlak voor het zaaien geploegd met een vorenpakker. Hierdoor wordt in één werkgang een goed, vast zaaibed verkregen zonder sporen. Voor het ploegen kan drijfmest worden uitgereden, liefst met een bouwlandinjecteur. De mest wordt op een diepte van ongeveer 20 cm geïnjecteerd en door het ploegen door de bouwvoor gemengd (zie paragraaf zuurgraad).
Op kleigrond wordt in het najaar geploegd. In het voorjaar kan daarna met een rotorkopeg een ondiep zaaibed worden gerealiseerd.
Het zaaien kan gebeuren met een nokkenrad-zaaimachine of een graszaaimachine, met breedzaaikouter. Deze laatste machine geeft een zeer goede verdeling van het zaad. Bij een goede plantverdeling krijgt onkruid minder kans. De zaaidiepte moet 1 cm zijn in een vochtig zaaibed; is het zaaibed wat droger, dan moet iets dieper gezaaid worden, tot 2 cm. Voor een goede vochtvoorziening dient het zaad goed contact met de vaste ondergrond te hebben. Na inzaaien kan het zaaibed met een Cambridgerol worden aangerold. Dit verbetert het contact tussen zaad en bodem. Bij zaaien in rijen met een nokkenradzaaimachine kan de rijenafstand 8-25 cm bedragen. Bij de ruime afstand is schoffelen mogelijk.

Als onder gunstige omstandigheden wordt gezaaid, is 25 kg zaaizaad per ha voldoende om een goede plantdichtheid te krijgen. Dit is in recent onderzoek op Cranendonck bevestigd. Eén gram luzernezaad bevat ongeveer 500 zaden. Bij 25 kg zaad per hectare worden ongeveer 1.250 zaadjes per m2 gezaaid; 300 kiemplanten zijn voldoende voor een goede plantdichtheid aan het begin van de teelt. Na de eerste snede staan er bij een gewas met een goede opkomst en plantverdeling nog ongeveer 175 planten per m2. Aan het begin van het tweede jaar is de standdichtheid ongeveer 120 planten per m2. Aan het begin van het derde jaar is het plantgetal gedaald tot ongeveer 75 planten per m2. Als de planten gelijkmatig zijn verdeeld, is dit lage plantgetal geen probleem. De oude planten krijgen steeds meer stengels zodat de bodembedekking goed is en de productie maximaal. Meer zaaizaad gebruiken heeft dus geen zin tenzij wordt betwijfeld of de omstandigheden zoals vochtvoorziening en zuurgraad optimaal zijn. Ook dan is het beter de omstandigheden te verbeteren dan te proberen een te verwachten grote plantuitval te compenseren met meer zaaizaad.

Zaaitijdstip

Luzerne kan het beste in het voorjaar worden ingezaaid tussen half april en half juni. Bij inzaaien na begin augustus is de kans op een mislukking groot doordat planten te klein de winter in gaan. De vochtvoorziening kan bij inzaai na 1 juni een probleem vormen. Wel is de kans op onkruidontwikkeling, bij inzaai later in het seizoen kleiner. Bij inzaai in april kunnen hetzelfde jaar twee tot drie sneden worden geoogst. Bij een onregelmatige opkomst of te dunne stand kan het beste zo snel mogelijk worden doorgezaaid.
Open plekken leiden tot opbrengstverlies en veronkruiding. Luzerne ontwikkelt zich na het zaaien veel trager dan de meeste onkruiden. De eerste snede bestaat dan ook vaak voor een belangrijk deel uit onkruid. Met name melde-achtigen en veelknopigen zoals perzikkruid kunnen het gewas volledig overgroeien. Dit probleem kan op een aantal manieren worden beperkt. In de volgende paragrafen wordt een aantal manieren beschreven.

Als de standdichtheid na het eerste jaar te gering wordt, is doorzaaien meestal niet succesvol. Insecten, ziekten en concurrentie van bestaande planten maken het voor het nieuwe zaad moeilijk om te overleven. Aanwezige luzerneplanten produceren toxische stoffen die de ontwikkeling van nieuwe luzerneplantjes belemmeren.

Zaaien van mengsels

Overwegingen voor het zaaien van een mengsel zijn:

  • het verhogen van de soms matige opbrengst van de eerste snede;
  • een betere onkruidonderdrukking tijdens de trage begingroei van luzerne;
  • bescherming tegen berijdingsschade;
  • het voorkomen van open plekken op plaatsen die minder geschikt zijn voor luzerne, zoals op kopakkers of natte plekken.

Soorten die in een mengsel met luzerne kunnen worden gezaaid zijn grassen, klavers en granen.

De overweging om een mengsel van luzerne en gras te zaaien, is vaak gebaseerd op het beperken van de berijdingsschade vanwege de zode die grassen vormen. Grassen hebben echter het risico dat ze luzerne te sterk beconcurreren en soms zelfs volledig verdringen. Dit is onder meer afhankelijk van de stikstofvoorziening. Onder stikstofarme omstandigheden zal luzerne een voordeel hebben. Bij gebruik van drijfmest is het gevaar voor te sterke concurrentie van het gras groter. Wel bestaat er verschil in concurrentiekracht tussen grassen. Italiaans raaigras is zeer sterk concurrerend. Engels raaigras hooitype, beemdlangbloem, kropaar en rietzwenkgras verdringen luzerne minder sterk. De variatie in stikstof- en vochtvoorziening maakt het moeilijk de verhouding luzerne en gras te sturen. Onder vochtige stikstofrijke omstandigheden domineert het gras (meestal in het voorjaar), bij droogte de luzerne (in de zomer). Bijkomend nadeel van een gras- en luzernemengsel is dat het optimale maaitijdstip van de afzonderlijke gewassen meestal niet samenvalt.

Rode of witte klaver, en (één-snedige) Alexandrijnse klaver gaan goed samen met luzerne. Alexandrijnse klaver groeit slecht op zandgrond, en komt na maaien niet meer terug. De andere klavers blijven deel uit maken van het gewas. Er wordt meestal 5-15 kg klaver gemengd gezaaid met 25 kg luzernezaad. Voor plekken die minder geschikt zijn voor luzerne, bijvoorbeeld natte plekken of kopakkers, lijkt het meezaaien van witte of rode klaver het meest voor de hand liggend.
Zomergranen ontwikkelen zich snel en leveren als snijgraan een groot aandeel in de eerste snede. Na maaien komen granen ook niet meer terug. Het meest geschikt zijn haver of gerst, waarvan 10-20 kg per hectare kan worden gezaaid. Uit onderzoek in 1992 en 1993 bleek dat het onkruidonderdrukkend effect van mengsels van luzerne en granen of klaver klein was.

Inzaai onder dekvrucht

De trage ontwikkeling van luzerne in de eerste maanden na zaaien veroorzaakt een lage productie in het jaar van inzaai. Op percelen met een hoge onkruiddruk ontstaat bovendien sterke veronkruiding van de eerste snede en op hellingen bestaat de kans op bodemerosie. In sommige gevallen is het zaaien van luzerne onder een dekvrucht wenselijk. Bij zaaien onder dekvrucht is de ontwikkeling van luzerne echter trager dan bij zaai in de kale grond. De ontwikkelingskansen van luzerne bij inzaai onder dekvrucht hangen af van de periode tussen opkomst van luzerne en het tijdstip dat de dekvrucht nagenoeg geen licht meer doorlaat. Luzerne kan daarom het beste tijdig, half april, met een nokkenrad-zaaimachine of een doorzaaimachine in de dekvrucht worden gezaaid. Ook is het mogelijk breedwerpig te zaaien en met een wiedeg in te werken. Bij deze laatste methode moet ongeveer 25% meer zaad worden verzaaid. Bij een te zware of laat het veldruimende dekvrucht kan de luzerne-onderzaai mislukken.
Na de oogst van de dekvrucht krijgen de luzerneplanten voldoende licht om zich snel te ontwikkelen en de bodem binnen een paar weken volledig te bedekken.
Op droogtegevoelige grond kan de concurrentie om vocht zo groot zijn, dat de jonge luzerneplanten onder de dekvrucht niet overleven. De keuze of luzerne het beste in de kale grond dan wel onder dekvrucht wordt ingezaaid en de keuze welke dekvrucht het meest geschikt is, hangen naast eerder genoemde factoren af van grondsoort en teeltdoel.

Kleigrond
Op kleigronden wordt luzerne in het algemeen op akkerbouwbedrijven geteeld. Vlas, wintergranen of erwten kunnen als dekvrucht dienen. Kleigronden houden in het algemeen voldoende vocht vast om naast de dekvrucht ook de jonge luzerneplantjes van water te voorzien. Na de kieming van luzerne investeert het gewas vooral in de ontwikkeling van het wortelstelsel. Om toch een redelijke ontwikkeling van luzerne te waarborgen, moet de dekvrucht niet te zwaar zijn zodat licht tot onder in het gewas kan doordringen. Het meest geschikte gewas waarin luzerne kan worden gezaaid, is vlas. Met name in het zuidwestelijk kleigebied biedt dit gewas mogelijkheden. In het algemeen zal echter een wintergraan worden gekozen. Er moet bij de rassenkeuze, de zaaizaadhoeveelheid en de bemesting van de dekvrucht rekening worden gehouden met de ontwikkeling van luzerne. Door 25% minder zaaizaad te gebruiken en minder te bemesten, ontstaat een schralere dekvrucht. Voor een voldoende ontwikkeling van luzerne moet de dekvrucht nog tenminste 10% van het zonlicht doorlaten. Dit kost natuurlijk opbrengst van de dekvrucht, maar resulteert in een betere en snellere ontwikkeling van luzerne. Ook bij de teelt van luzerne onder dekvrucht gaat het gezegde op dat het niet mogelijk is twee ruggen uit één varken te snijden. Bij zaaien onder tarwe kan er, bij een tijdige oogst van de dekvrucht, het eerste jaar nog één snede luzerne worden gewonnen, tegenover twee à drie sneden bij voorjaarsinzaai zonder dekvrucht. De opbrengst van de dekvrucht maakt dit verlies in het algemeen ruimschoots goed.

Zandgrond
Op zandgrond zal luzerne in veel gevallen op een melkveehouderijbedrijf worden geteeld. De meest geschikte dekvrucht op een dergelijk bedrijf is wintergraan (tarwe, rogge, triticale of gerst) dat als snijgraan, als Gehele Planten Silage (GPS) of als rijp graan kan worden geoogst.
Bij zaaien van luzerne onder dekvrucht op zandgrond speelt naast de concurrentie om licht, de concurrentie om vocht een belangrijke rol. Op droogtegevoelige gronden met een diepe grondwaterstand is het dan ook zaak de concurrentie om vocht te beperken door de dekvrucht tijdig te oogsten. Op zandgrond is in het algemeen de onkruiddruk de belangrijkste reden om onder dekvrucht te zaaien. De meeste onkruiden die op bouwland voorkomen, zijn eenjarige zaadonkruiden, die na de voorjaarsgrondbewerking kiemen. Uit twee jaar onderzoek op proefboerderij Cranendonck bleek dat onder triticale in het voorjaar zeer weinig onkruid kiemde. Op de velden die in het voorjaar werden geploegd en ingezaaid, kiemde er wel veel onkruid.
De dekvrucht kan vroeg, half mei, als snijgraan worden geoogst als het gevaar bestaat voor verdroging. De luzerneplanten zijn dan gekiemd en hebben een voorsprong op eventueel laat kiemende onkruiden. Op meer vochthoudende zandgrond kan de dekvrucht begin juli, als GPS worden geoogst. Luzerne heeft dan nog voldoende tijd om zich te ontwikkelen en er kan in het najaar nog een snede worden geoogst. Onder natte omstandigheden kan echter beter met de oogst van de dekvrucht worden gewacht om schade aan luzerne door berijding te voorkomen.
In het onderzoek naar inzaaimogelijkheden is nog een aantal varianten meegenomen. De resultaten van dit onderzoek zijn vermeld in tabel 2.

Tabel 2. Opbrengsten van luzerne en graan (snijgraan of GPS) in ton droge stof per ha in het jaar van inzaai (1994) en het volgende jaar (1995).
BehandelingOpbrengst Gehele Plant SilageAantal snedes luzerne in eerste jaarDrogestofopbrengst luzerne 1e jaarDrogestofopbrengst luzerne 2e jaar
de dekvrucht triticale vroeg oogsten met luzerne-onderzaai in april4,0*36,415,9
de dekvrucht triticale laat oogsten met luzerne-onderzaai in april11,523,315,5
luzerne half april zaaien, eerste snede vroeg oogsten(circa 1,5 ton per ha)--49,414,3
luzerne half april zaaien, eerste snede laat oogsten--39,614,5
half april zaaibed klaarmaken, enkele malen eggen, half mei luzerne zaaien--37,714,1
half juni zaaien, na vroege GPS-oogst10,5*23,515,9
half augustus zaaien, na late GPS-oogst14,0*009,5

* Opbrengsten zijn geschat aan de hand van proeven (GPS) op Cranendonck in dat jaar.

De eerste snede luzerne na inzaaien onder graan was in dit onderzoek praktisch onkruidvrij. De inzaaivariant, half mei zaaien na enkele malen eggen, gaf ook een redelijk onkruidvrij resultaat. Ook bij zaaien in een graanstoppel na vroeg geoogste GPS kiemde er weinig onkruid. Later zaaien dan half juni met een grondbewerking resulteerde in een holle stand en veel onkruid. De eerste snede bij vroeg zaaien in de kale grond had het meeste onkruid. Op percelen met een hoge onkruiddruk kan het onkruidaandeel in de eerste snede meer dan 50% bedragen. Na de eerste keer maaien komen de zaadonkruiden niet terug.