Secondary menu

Teelthandleiding graszaad - onkruidbestrijding

15/06/2005 - G.E.L. Borm - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit hoofdstuk van de teelthandleiding graszaad is informatie te vinden over de onkruidbestrijding in graszaad.

Algemeen

Onkruiden kunnen ook in graszaadgewassen schadelijk zijn. Net als bij andere gewassen kunnen ze concurreren met het gewas. Verder kunnen ze verontreinigingen geven van het geoogste product en het vochtgehalte hiervan aanzienlijk verhogen wat leidt tot een verhoging van de droog- en schoningskosten.
Het geoogste graszaad is zaaizaad; verontreinigingen van graszaad met andere zaden van grasachtige onkruiden, zaad- of wortelonkruiden of vermenging met andere grassoorten zijn dan ook ongewenst, en bepalend voor goedkeuring en certificering. Vooral het voorkómen van niet of moeilijk uit te schonen grassoorten verdient de aandacht (tabel).

Tabel. Mogelijkheden voor uitschoning van diverse onkruidgewassen
onkruidgras
grassoort
Engels en Italiaans raaigrasroodzwenkgrasveldbeemdgras
diploïdtetraploïd
duist
-
--
-
+
kweek
--
-
+/-
+
raaigras dilpoïd
--
--
--
-
raaigras tetraploïd
--
--
--
-
ruw beemdgras
+/-
+/-
+/-
--
straatgras
+
+
+
--
windhalm
-
+
*-/--**
-
zwenkgrassen
--
-
--
-

De perceelskeuze voor een te telen grassoort vormt een belangrijk element bij de onkruidbeheersing. Verwacht men onkruid dat niet of moeilijk bestreden kan worden in de betreffende grassoort, dat bovendien niet of moeilijk uitgeschoond kan worden, dan moet worden afgezien van de teelt van deze grassoort op het betreffende perceel. Een andere preventieve maatregel is onder andere het voorkómen van kweek in perceelsranden en slootkanten.
Sterke gewassen hebben een grotere concurrentiekracht ten opzichte van onkruiden dan zwakke gewassen. Een tijdige zaai, het vermijden van beschadigingen van het gewas tijdens de oogst van de dekvrucht, het bloten en de rest van de teelt kan de problemen met onkruiden als straatgras, Vulpia sterk verminderen.

Mechanische bestrijding

Preventie tarwe-opslag

Om de problemen met opslag van uitgevallen zaad van de dekvrucht wintertarwe te verminderen is in de periode 1998 tot en met 2001 onderzocht wat de mogelijkheden zijn om bij het dorsen van de tarwe kleine tarwekorrels met het kaf op te vangen. Tevens werd het effect onderzocht van het opzuigen van het kaf en uitgevallen tarwekorrels na de oogst van de tarwe en het stro.
Bij het opzuigen van het kaf in de kafbaan verminderde de hoeveelheid tarweopslag in drie van de vier jaren. In twee van de vier jaren had dit opzuigen van het kaf een positief effect op de zaadopbrengst. Nadeel van deze methode is de weersafhankelijkheid. Indien na de tarweoogst voor het opzuigen van het kaf veel neerslag valt wordt dit opzuigen sterk bemoeilijkt.
Het opvangen van het kaf leidde in drie van de vier jaren tot een daling van de hoeveelheid tarweopslag en in twee van de vier jaar tot een stijging van de zaadopbrengst. Het opgevangen kaf zou kunnen worden gecomposteerd of worden verbrand (bio-energie) dan wel als strooisel voor vee kunnen worden gebruikt.
Naast het opvangen van het kaf en het opzuigen hiervan is gedurende drie jaar ook het effect van het verbranden van het kaf met een onkruidbrander uitgeprobeerd in veldbeemdgras en Engels raaigras. Deze methode leidde in beide grassoorten niet tot een aansprekende effectiviteit dan wel gaf deze een te sterke schade aan het gewas. Bovendien leidde deze methode in een aantal gevallen tot extra straatgras. Het spreiden van het kaf in de kafbaan, dat één jaar werd onderzocht, gaf geen aansprekend resultaat.
Ook een poging om kippen de uitgevallen tarwekorrels te laten oppikken leidde in 1999 en 2000 niet een voldoende bestrijding van tarweopslag in veldbeemdgras.

Schoffelen, eggen, maaien

Men kan men maken tussen volveldsbehandelingen (onder andere eggen en maaien) en strokenbehandelingen (onder andere schoffelen, frezen en borstelen). Bij volveldsbehandelingen wordt het onkruid zowel in als tussen de rijen bestreden. Bij de strokenbehandeling gebeurt dit alleen tussen de rijen.
Een strokenbehandeling zal vaak moeilijk uitvoerbaar zijn tijdens het groeiseizoen van de dekvrucht omdat de ondervrucht vaak tussen de rijen van de dekvrucht wordt gezaaid. Voor een strokenbehandeling bestaan alleen mogelijkheden na de oogst van de dekvrucht waarbij de resterende stoppel vooral voor schoffelen nog een beperking kan vormen. Bij open landzaai is een mechanische onkruidbestrijding in principe goed mogelijk. Op zand- en dalgrond trad er door schoffelen dan wel eggen gemiddeld over drie proeven in Engels raaigras (1993,1994, 1995) geen duidelijke daling van de zaadopbrengst op ten opzichte van een chemische onkruidbestrijding. Op deze gronden bestaan bij een geringe onkruiddruk in principe goede mogelijkheden om de onkruidbestrijding mechanisch uit te voeren. Ook op kleigrond waren in het onderzoek (1995, 1996, 1997) de effecten van mechanische onkruidbestrijding op de zaadopbrengst van het gewas gering maar was de effectiviteit van alleen mechanische onkruidbestrijding op probleemonkruiden zoals duist en kamille onvoldoende. Het combineren van mechanische onkruidbestrijding met rijenbespuiting, waarbij ten opzichte van volveldbespuitingen 35-70% minder middel hoefde te worden gebruikt, leidde wel tot een goed resultaat. Op beide grondsoorten waren de jonge gewassen (1-2 blaadjes) gevoeliger voor schade door eggen bij een nauwe (12,5 en 25 cm) dan bij een ruime rijenafstand (37,5 en 50 cm).
Bij veldbeemdgras is in 1992 en 1993 de technieken borstelen, schoffelen en eggen uitgeprobeerd. Met al deze technieken was het moeilijk om tot een aanvaardbare bestrijding van tarweopslag te komen. Directe schade aan veldbeemdgras werd niet waargenomen. Wel verminderde de spruitdichtheid als gevolg van beschadiging van de uitlopers tussen de rijen. Door het losmaken van de grond trad kieming van straatgras op zodat de toepassing van deze technieken in deze grassoort moeten worden afgeraden.
Bij Westerwolds raaigras (onderzoek in 1995 en 1996) hadden schoffelen en eggen geen effect op de halmdichtheid en zaadopbrengst. In deze soort, die als enige in het voorjaar van het oogstjaar wordt gezaaid, biedt mechanische onkruidbestrijding perspectief.
Als in het najaar onkruid bestreden moet worden, zijn er vooral op kleigronden weinig dagen dat, in verband met de bewerkbaarheid van de grond, een mechanische onkruidbestrijding kan worden uitgevoerd. Dit geldt vooral voor de gewassen die laat in open land worden gezaaid. De onkruiddoding van bewerkingen in de herfst kan, als het onkruid niet volledig met grond wordt bedekt, als gevolg van de weersomstandigheden bovendien tegenvallen. Doordat de mechanische onkruidbestrijding in de herfst samenvalt met andere werkzaamheden (het oogsten van aardappelen/suikerbieten, ploegen, zaaien wintertarwe) zal de praktijk in de herfst dikwijls prioriteit aan deze andere werkzaamheden geven.
Bij gewassen die onder dekvrucht zijn gezaaid, kan maaien in de nazomer een onkruidbestrijdend effect geven. Daarnaast wordt de groei van het gras bij bepaalde soorten door maaien bevorderd waardoor de concurrentiekracht van het gras ten opzichte van het onkruid wordt vergroot.
Bij Italiaans raaigras kan voormaaien in de lente ervoor zorgen dat de aanwezige duist niet tot bloei komt. Voormaaien heeft bij deze grassoort ook een bestrijdend effect op de eventueel aanwezige tarweopslag en kweek.

Chemische bestrijding

Voordat een bespuiting wordt uitgevoerd, dient het etiket van het middel goed te worden gelezen. Daarnaast is overleg met de teeltbegeleider gewenst omdat deze op de hoogte is van de specifieke gevoeligheid van rassen voor bepaalde middelen.
Bij de chemische onkruidbestrijding in de graszaadteelt wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen gewassen die gezaaid zijn in open land en onder dekvrucht.
Laat, veelal in open land, ingezaaide gewassen dienen goed beworteld te zijn voordat de onkruiden chemisch bestreden kunnen worden. Een bovengrondse ontwikkeling van 2 à 3 grasspruiten per plant is hiervoor veelal de benedengrens.
De onkruidbestrijding in de dekvruchten is kort bij het hoofdstuk 'Dekvruchten' aangestipt. Na de oogst van de dekvrucht zijn de grasplantjes nog erg klein, zodat ze gemakkelijk door onkruid zoals varkensgras, muur, zwaluwtong, uitstaande melde, ereprijs, kamille en klein hoefblad en/of opslag van de dekvrucht worden overwoekerd of verstikt.
In het algemeen zal na een augustusbespuiting weer hergroei van onkruiden optreden. Met de onkruidbestrijding kan soms worden gewacht tot het tijdstip dat de wortelonkruiden kunnen worden bestreden. Bij de laat geoogste dekvruchten, granen en droge erwten kan vaak gewacht worden tot de grasachtige onkruiden worden bestreden.
Vooral voor soorten met een vroege doorschietdatum zoals veldbeemd en roodzwenk (zie hoofdstuk plant en gewas) dient voorop te staan dat de bestrijding zoveel mogelijk in de nazomer en vroege herfst plaats heeft. Gezorgd moet worden dat in het voorjaar het perceel schoon is wanneer het gras bij deze soorten begint te groeien. De grassen zijn in de doorschietperiode in het voorjaar immers uiterst gevoelig voor beïnvloeding door een bespuiting. Veel middelen kunnen in het voorjaar als gevolg van te lage temperatuur niet voor de doorschietperiode van de vroeg doorschietende soorten worden gespoten. In het bijzonder voor deze vroeg doorschietende soorten is de nazomer/herfst daarom de aangewezen tijd voor de onkruidbestrijding. In deze periode zijn de breedbladige en grasachtige onkruiden goed te bestrijden.
Groeistofbevattende middelen worden het meest algemeen toegepast, omdat ze zowel de wortel- als zaadonkruiden opruimen. In vrij veel graszaadpercelen kan met één bespuiting met groeistofbevattende middelen worden volstaan. Hiertoe dient men met de toepassing te wachten tot het gras voldoende is ontwikkeld, de wortelonkruiden aan de groei zijn en de meeste zaadonkruiden aanwezig zijn. Dit zal vaak het geval zijn in de maand september. Grasachtige onkruiden worden veelal in de eerste helft van oktober bestreden. Soms is dit te combineren met de bestrijding van breedbladige onkruiden. Een bespuiting uitvoeren op een droog gewas, gevolgd door 24 uur droog weer, is aan te bevelen.

Breedbladige onkruiden

Na de oogst van de dekvrucht zal voor de bestrijding van wortelonkruiden en grote eenjarige onkruiden in augustus-september in het algemeen een mengsel van groeistoffen (bijvoorbeeld 2,4-D/dicamba of 2,4-D/MCPA/dicamba) nodig zijn. Het gewas dient op het moment van toepassing drie tot vier spruiten per plant te hebben. Na een bespuiting dient een perceel vier tot zes weken met rust gelaten te worden om een optimale groeistofwerking te krijgen. Groeistoffen kunnen met uitzondering van mecoprop-P, niet later dan september worden toegepast, omdat anders schade aan het gras kan optreden. Timothee is enigszins gevoelig voor bepaalde groeistoffen.
Bij inzaai in open land van juli tot oktober zijn de onkruidproblemen vaak groot. Het accent valt hier op de bestrijding van de eenjarige tweezaadlobbige onkruiden. In het algemeen worden contactherbiciden ingezet zoals Starane (fluroxypur) of Primus (florasulam) dan wel een combinatie met groeistoffen zoals Certrol Combin D (bromoxynil/MCPA/mecoprop-P) of Verigal D (bifenox/mecoprop-P). Het gras dient afhankelijk van het middel minimaal drie tot vier of vier tot vijf blaadjes per plant te hebben.

Distels
Distels worden in het voorjaar worden overwegend bestreden met MCPA. De bestrijding met MCPA of combinaties hiermee kan worden uitgevoerd tot vóór het in de aar of pluim komen van het gewas. Latere toepassing is gevaarlijk voor de zaadopbrengst en kiemkracht.

Kamille
Met de toelating van Primus (florasulam) zijn er uitstekende mogelijkheden ontstaan voor de bestrijding van kamille in graszaadpercelen. Dit nieuwe middel is beduidend effectiever dan oudere middelen(combinaties).
In veldbeemdgras en roodzwenkgras waar kamille minder vaak een probleemonkruid is dan in raaigrassen kan ook Hussar (iodosulfuron) worden toegepast.

Muur
Starane (fluroxypyr), Verigal D (bifenox/mecoprop-P) of mecoprop-P kan in het najaar en voorjaar worden gespoten totdat de bloeiwijze zichtbaar is. De werking valt tegen bij lage temperatuur. In Engels- en Italiaans raaigras kan dan nog wel ethofumesaat worden toegepast.
Overige onkruiden
Starane (fluroxypyr) heeft ook een sterke werking op kleefkruid en Verigal D (bifenox/mecoprop-P) tegen paarse doveneter, akkerviooltje, ereprijs en hoenderbeet. Actril (ioxynil) is effectief tegen onder andere kamille, perzikkruid en klein kruidkruid maar heeft vanwege dampwerking zijn beperkingen omdat in de buurt gelegen breedbladige gewassen hiervan schade kunnen ondervinden.

Grasachtige onkruiden

Kweekgras
Kweekgras is één van de onkruiden die zich in graszaadpercelen kan uitbreiden. Een effectieve bestrijding is dan ook beslist noodzakelijk. De behandeling dient zo vroeg mogelijk in de herfst te worden uitgevoerd en in vele gevallen in het voorjaar te worden herhaald. De directe omgeving van de kweekplek, minstens een halve meter rondom, dient ook te worden behandeld om de soms ver verwijderde uitlopers ook mee te nemen. Bij rood- en hardzwenkgras kan zonodig een volveldsbespuiting worden uitgevoerd met Gallant (haloxyfopethoxyethyl), Fusilade (fluzifop-P-butyl) dan wel Focus Plus (cycloxydim).

Straatgras / tuintjesgras
In alle graszaadgewassen is ethofumesaat toegelaten. In Engels en Italiaans raaigras is deze toepassing mogelijk in de herfst vanaf het 2 à 3 spruitstadium tot het vroege voorjaar bij afwezigheid van (nacht) vorst. Kort na open landzaai kan ook met een lage dosering van dit product worden gespoten.
In de teelt van veldbeemdgras is nog vrij weinig ervaring met de toepassing van ethofumesaat. Toepassing van dit middel over de vorst kan schade geven. In deze soort is voor 2005 vrijstelling verleend voor de toepassing van Boxer (prosulfocarb) na de oogst van de dekvrucht dan wel na de eerste zaadoogst. Als correctiemiddel kan in veldbeemdgras in het voorjaar nog Hussar (iodosulfuron) worden gespoten.
In het najaar en voorjaar kan in rood- en hardzwenk ook Gallant (haloxyfopethoxyethyl) worden toegepast en in het voorjaar Hussar (iodosulfuron).
In rietzwenkgras is straatgras niet snel een probleem omdat dit onkruid in deze grassoort goed kan worden uitgeschoond.

Afbeelding 1. Straatgras en tarweopslag in veldbeemdgras in voorjaar

Duist en windhalm
Tegen duist en windhalm kan in Engels en Italiaans raaigras en rietzwenkgras op goed ontwikkelde gewassen (minimaal twee spruiten per plant) in het najaar ethofumesaat worden toegepast. Kort na open landzaai kan ook met een lage dosering van dit product worden gespoten. In het voorjaar kan in Engels raaigras ook Puma S EW (fenoxaprop-P-ethyl) worden toegepast, waarbij er alleen ervaring is in sport en grasveldtypen.
In veldbeemd, beemdlangbloem en kropaar, die in het voorjaar onder dekvrucht zijn gezaaid en in tweedejaarsgewassen van deze soorten en van moerasbeemd en timothee kan in de tweede helft van november tegen duist met chloorprofam worden gespoten. Doordat ethofumesaat in alle grassoorten is toegelaten kan in principe ook dit middel in de herfst voor dit doel worden toegepast maar hiermee is niet in alle soorten uitgebreide ervaring.
Bij rood- en hardzwenkgras kan ook nog Focus Plus (cycloxydim) en Fusilade (fluzifop-P-butyl) worden toegepast.

Ruw beemdgras
Bij Engels raaigras heeft de toepassing van Puma S EW (fenoxaprop-P-ethyl) de beste effectiviteit. Ethofumesaat heeft bij deze grassoort en Italiaans raaigras nagenoeg geen werking. In rood- en hardzwenkgras kan ruw beemdgras bestreden worden met Focus plus (cycloxydim).

Vulpia
Dit onkruid kan vooral in roodzwenk- en hardzwenkgras grote problemen opleveren maar kan ook in andere grassoorten voorkomen zoals in veldbeemdgras. Door de gedeelde toepassing van ethofumesaat dan wel de toepassing van Boxer werd een goede dan wel redelijke bestrijding in een veldbeemdproef van oogstjaar 2004 verkregen. In 2003 was dat ook het geval voor Hussar maar niet in 2004.

Afbeelding 2. Probleemonkruid Vulpia (eekhoornzwenkgras) in roodzwenkgras

Afbeelding 3. Vulpia (eekhoornzwenkgras) en tarweopslag kort voor oogst in veldbeemdgras

Ongewenste graspollen
Deze kunnen worden vernietigd met alles dodende middelen zoals glyfosaat met behulp van een rugspuit met een spuitstok met één spuitdop, die wordt afgeschermd door een plastic kap om randwerking te voorkomen. Toevoeging van een speciale kleurstof vergemakkelijkt het werken, omdat daardoor steeds te zien is welke pol wél en welke niet behandeld is.

Graanopslag
Bij rood- en hardzwenkgras bestaan goede mogelijkheden om graanopslag in te bestrijden. Dit kan o.a. met Focus plus (cycloxydim), Fusiallade (fluzifop-P-butyl) en Gallant (haloxyfopethoxyethyl). In deze soorten is hiervoor ook Targa Prestige (quizalofop-P-ethyl) toegelaten. In 2005 is ook vrijstelling gegeven voor de toepassing van dit middel in veldbeemdgras. Daarnaast werd in een proef met deze grassoort in 2004 enige bestrijding van tarweopslag verkregen door een gedeelde toepassing van ethofumesaat.
Er is nog geen herbicide toegelaten voor de bestrijding van graanopslag in Engels raaigras zodat een teelt van deze grassoort onder dekvrucht granen niet aan te bevelen valt.

Opslag raaigras
Bij rood- en hardzwenkgras bestaan goede mogelijkheden om graanopslag in te bestrijden. Dit kan o.a. met Focus plus (cycloxydim), Fusilade (fluzifop-P-butyl) en Gallant (haloxyfopethoxyethyl). Ook van de toepassing van Hussar (iodosulfuron) dat toegelaten is in roodzwenkgras en veldbeemdgras is in het onderzoek van 2003 effectiviteit tegen raaigrassen waargenomen. In rietzwenkgras vormt opslag van raaigras een probleem en krijgt vanuit het onderzoek dan ook aandacht.
Opslagplanten van raaigras in zaadgewassen van Engels raaigras die voor een tweede zaadoogst worden aangehouden kunnen goed worden bestreden met chloorprofam waarbij een (eerste) bestrijding kort na het afvoeren van het stro moet worden uitgevoerd die later in de herfst zo nodig kan worden herhaald.

Waarschuwing
Groeistofbespuitingen in de graszaadteelt kunnen schade aan groeistofgevoelige gewassen op aangrenzende percelen veroorzaken, omdat de spuitvloeistof gemakkelijk overwaait (drift). Een voorbeeld hiervan is witlof. Vaak komt de schade bij dit gewas pas naar voren tijdens het trekken. Spuit in de buurt van witlof en andere groeistofgevoelige gewassen uitsluitend met groeistoffen als de wind uit de richting van het betreffend perceel komt. Gebruik extra veel water, een grove druppel en een zo laag mogelijke druk.
Omgekeerd kan het toepassen van chloorprofam in gewassen als uien en tulpen kort voor de bloei van naburige graszaadgewassen ernstige kiemproblemen veroorzaken bij het graszaad.