Secondary menu

Teelthandleiding graszaad - dekvruchten

15/06/2005 - G.E.L. Borm - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit hoofdstuk van de teelthandleiding graszaad is informatie te vinden over het gebruik van dekvruchten voor de graszaadteelt.

Algemeen

Omdat er vóór half augustus nog vrijwel geen gewassen zijn die het veld geruimd hebben, wordt voor de zwenkgrassen en veldbeemd de groeiperiode verlengd door deze soorten onder dekvrucht uit te zaaien. Engels en Italiaans raaigras kunnen zowel na vroeg geoogste gewassen in open land in september als onder dekvrucht worden gezaaid. De bijzondere grassoorten met een beperkt areaal zoals kropaar, struisgras, beemdlangbloem en timothee kunnen eveneens zowel onder dekvrucht als voor een bepaalde datum in open land worden gezaaid. Vooral voor de langzaam groeiende soorten veldbeemd en roodzwenk is inzaaien onder dekvrucht noodzakelijk om een gewas te krijgen dat in de herfst voldoende ontwikkeld is om in het volgende jaar zaad te kunnen vormen. Daarnaast moet het ook sterk genoeg zijn om bespuitingen met onkruidbestrijdingsmiddelen te kunnen verdragen.
Als dekvrucht kunnen meerdere gewassen dienst doen. Per graszaadsoort zijn deze echter niet alle even geschikt. Dit hangt in belangrijke mate samen met de groeikansen die de dekvrucht aan de ondervrucht geeft en de eigenschappen van het gras. Er zijn dekvruchten die de ondervrucht te weinig groeikansen bieden zoals de zomergranen voor veldbeemd. Anderzijds zijn er gewassen die de ondervrucht te veel groeikansen geven zoals erwten voor Engels raaigras; de dekvrucht zou overwoekerd worden door de ondervrucht. In tabel 1 is een overzicht gegeven van mogelijke combinaties.

Tabel 1. Geschiktheid dekvruchten
Grassoortwintertarwezomertarwezomergerstvlaserwtenveldbonenblauwmaanzaad
Engels raaigras
+
+
+
+
-
+
+
Italiaans raaigras
+
+
+
-
-
-
-
rietzwenkgras
+
+
-/+
+
+
+
+
roodzwenkgras
gewoon of met fijne uitlopers
+
-
-/+
+
+
+
+
roodzwenkgras
forse uitlopers
+
+
+
+
+
+
+
veldbeemdgras
+
-
-
+
+
+
+

+ geschikt, -/+ matig geschikt, - niet geschikt

Als gevolg van de sterkere ontwikkeling van roodzwenkgras met forse uitlopers kan dit type in tegenstelling tot gewoon en fijn uitlopervormend roodzwenkgras wel in het voorjaar onder zomertarwe worden gezaaid. Er zijn eveneens positieve ervaringen met roodzwenkgras met fijne uitlopers onder brouwgerst.
Om het graszaad meer kans van slagen te geven, moet bij het telen van de dekvrucht reeds met een aantal teeltmaatregelen rekening worden gehouden. Dikwijls zijn deze teeltmaatregelen niet nadelig voor de dekvrucht zelf of hebben ze slechts zeer geringe negatieve gevolgen. Voor het ondergezaaide gras zijn ze evenwel erg belangrijk met het oog op het slagen van een goed graszaadgewas en een goede oogst. Een voorbeeld hiervan is het zo snel mogelijk verwijderen van het stro van de dekvrucht.
In het vervolg van dit hoofdstuk zal op een aantal van deze teeltaspecten bij enige dekvruchten worden ingegaan.

Wintertarwe

De betekenis van wintertarwe als dekvrucht voor veldbeemdgras is verminderd en voor Engels raaigras vrijwel nihil geworden omdat sinds eind negentiger jagen het onkruidbestrijdingsmiddel TCA, waarmee tarweopslag effectief in deze grassoorten kon worden bestreden, niet meer mag worden toegepast. Zodra er weer een deugdelijke vervanger van TCA in deze teelten kan worden ingezet wordt wintertarwe als dekvrucht weer van grotere betekenis.

Afbeelding. Dekvrucht wintertarwe, vlak voor oogst met ondervrucht Engels raaigras

Zaaitijdstip

De geschikte zaaitijd voor diverse grassoorten in wintertarwe is vermeld in tabel 2.

Tabel 2. Zaaitijden onder dekvrucht wintertarwe
grassoortokt.nov.dec.jan.febr.maartaprilmei
Engels raaigras-----+++
Italiaans raaigras-----+++
rietzwenkgras+++++++-
roodzwenkgras gewoon of+++++---
roodzwenkgras forse uitlopers++++++--
veldbeemdgras+++-----

De zaaitijdstippen van wintertarwe en graszaad in de herfst worden mede bepaald door het oogsttijdstip van de voorvrucht en de bodem- en weersomstandigheden.
Dat het zaaitijdstip invloed kan hebben op de zaadopbrengst, maken de in tabel 3 vermelde proefresultaten duidelijk.

Tabel 3. Zaadopbrengst in kg per ha van veldbeemdgras en roodzwenkgras bij verschillende zaaitijdstippen onder dekvrucht tarwe (gemiddeld vijf proeven 1982-1984)
inzaai gras
opbrengst in kg per ha
veldbeemdroodzwenk
september1.3401.260
oktober/november1.2301.420
december/januari1.1401.340
februari/april8001.360

De tarwe werd bij de eerste twee zaaitijdstippen gelijk met het graszaad gezaaid; bij de twee laatste zaaitijdstippen gebeurde dit eind oktober. Het blijkt dat veldbeemd de hoogste opbrengst geeft bij vroege zaai. Roodzwenk verdraagt uitstel van zaai goed. Er is hier gewerkt met gewoon roodzwenk en roodzwenk met fijne uitlopers. Bij vroege zaai worden na het ruimen van de dekvrucht meer spruiten gevormd.
De zaai van veldbeemd, gewoon roodzwenk en roodzwenk met fijne uitlopers vindt bij voorkeur tegelijk met de tarwe plaats.

Onkruidbestrijding

Bij de toepassing van sommige bodemherbiciden meteen na het zaaien van de tarwe, kunnen veldbeemd en roodzwenk pas vier tot zes weken later worden ingezaaid. Na toepassing van bodemherbiciden in het najaar kunnen alle graszaden zonder bezwaar in het voorjaar worden ingezaaid. In het voorjaar geven groeistoffen weinig problemen. Deze middelen moeten niet tijdens de opkomst van het gras in het zogenaamde naaldstadium worden toegepast.

Rassenkeuze

Bij een gerichte teelt van wintertarwe als dekvrucht is de keuze van het ras van belang. Er zijn verschillen tussen de huidige gangbare wintertarwerassen wat de geschiktheid als dekvrucht betreft.
De beoordeling van de geschiktheid als dekvrucht is opgebouwd uit de eigenschappen lengte en stevigheid stro, bladrijkdom, vroegrijpheid en korreluitval van een ras. Hoe later het gewas zich sluit als gevolg van een wat geringere bladrijkdom des te langer is de periode dat het ondergezaaide gras licht opvangt en kan groeien. Uit onderzoek is gebleken dat vooral de periode tot ongeveer 85 procent van het licht door de tarwe onderschept wordt, van belang is. Als de lichtonderschepping door de dekvrucht groter is, staat de grasgroei stil. De groeikansen nemen weer toe als de dekvrucht afrijpt en geoogst is (vroegrijpheid).
Vroege, zware legering van de dekvrucht is desastreus voor de ondervrucht. De kans hierop is geringer bij stevige rassen. Tenslotte heeft men minder problemen met opslag van de tarwe als de rassen een goede resistentie tegen korreluitval hebben. Helaas wordt deze eigenschap niet meer in de Rassenlijst vermeld.

Rijenafstand en zaaizaadhoeveelheid

Een manier om de ondervrucht gras meer licht en dus meer groeikansen te geven, is het beperken van de zaaizaadhoeveelheid van de tarwe en het vergroten van de rijenafstand. Voor veldbeemd lijkt een rijenafstand van 25 cm gunstiger dan een rijenafstand van 12,5 cm. Bij roodzwenk is er minder effect. Een verdere vergroting van de rijenafstand van de tarwe tot 37,5 cm is voor het graszaad gunstig, maar kost te veel opbrengst van tarwe.
Uit proeven met tarwe is bekend dat verkleining van de rijenafstand van 25 naar 12,5 cm de tarweopbrengst doet stijgen met 0 à 5 procent en gemiddeld 2 procent. Onder gunstige omstandigheden is er nauwelijks verschil.
Vermindering van de zaaizaadhoeveelheid van de tarwe van 160 naar 110 kg per ha geeft eveneens meer licht voor het ondergezaaide gras en dus meer spruiten. Dit resulteert in een hogere zaadopbrengst voor veldbeemd en roodzwenk. De invloed op de opbrengst tarwe is gering, gelijk of tot min 2 procent.
Voor de graszaadteler is het zinvol de zaaizaadhoeveelheid van de tarwe met 20 procent te verminderen en bij voorkeur een rijenafstand van 25 cm te kiezen.

Stikstofbemesting

Stikstof heeft een sterke invloed op de groei en als zodanig op de lichtonderschepping door het tarwegewas. Deling van de stikstofgift kan een (forse) vroege voorjaarsontwikkeling van de tarwe tegengaan, waardoor het gras langer kan profiteren van het invallende licht. De gebruikelijke twee- of driedeling van de stikstofbemesting van de tarwe biedt een goede mogelijkheid om het sluiten van het gewas te vertragen en is dan ook gunstig voor de ondervrucht.

Overige teeltmaatregelen

Van zeer groot belang is dat men te allen tijde voorkomt dat de tarwedekvrucht legert. Toepassing van halmverkorters kan daartoe zonodig een belangrijke bijdrage leveren. Vooral vroege legering kan tot gevolg hebben dat door lichtgebrek het ondergezaaide gras afsterft.
Door een juiste afstelling van de maaidorser moet getracht worden de tarweverliezen zoveel mogelijk te beperken. Niet te hard rijden en weinig wind op de zeven is dan noodzakelijk.
In verband met de noodzaak van een vlakliggend graszaadperceel zijn na een natte zomer de spuitsporen soms erg diep. Deze kunnen opgehaald worden door met een woelpoot precies door het spoor te rijen onder niet te droge omstandigheden; anders breekt de grond te veel op.

Erwten/veldbonen

Als gevolg van de slechte prijsvorming is het areaal van deze gewassen ten opzichte van het eind van de tachtiger jaren sterk gedaald.

Zaaitijdstip

Bij gelijktijdige zaai van erwten en gras kan bij een minder goede groei van de erwten het ondergezaaide gras van groeikrachtige soorten soms zelfs te hoog opgroeien. Het gras inzaaien kort na opkomst van de erwten gaat dit euvel tegen.
Meestal worden onder erwten alleen de traaggroeiende grassoorten veldbeemd en roodzwenk geteeld. Onder veldbonen kunnen ook sterker ontwikkelende grassoorten worden geteeld.
Als de zaai van veldbeemd moet worden uitgesteld als gevolg van de toepassing van bodemherbiciden, die na het zaaien van de erwten en veldbonen kunnen worden toegepast, vermindert de slagingskans voor deze soort aanzienlijk. De kans dat de opkomst en beginontwikkeling sterk bemoeilijkt worden door droogte nemen hierdoor sterk toe. Dit resulteert na de oogst van de dekvrucht veelal in een (te) zwak ontwikkeld gewas.

Onkruidbestrijding

Bij toepassing van bodemherbiciden die na de zaai van erwten en veldbonen kunnen worden toegepast als graszaad als ondervrucht wordt geteeld, kan het graszaad pas ongeveer zes weken later gezaaid worden wat meestal te laat is om een voldoende ontwikkeling te bereiken.
Het toepassen van contactherbiciden tegen tweezaadlobbige onkruiden geeft geen problemen voor de ondervrucht.

Zaaizaadhoeveelheid

Evenals bij de dekvrucht wintertarwe beïnvloedt de dichtheid van de dekvrucht erwten de ontwikkelingsmogelijkheden van het gewas. Als optimale dichtheid geldt bij zaai met de nokkenradzaaimachine op (stroarme) klei- en zandgronden 60-70 planten per m2. Bij een plantdichtheid van 30 planten per m2 is de zaadopbrengst van de erwten circa 10 procent lager.
In het onderzoek werden de effecten van plantdichtheid van de erwten op de ondervrucht veldbeemdgras nagegaan. De resultaten zijn samengevat in tabel 4.

Tabel 4. Invloed dichtheid erwten (semibladloos ras) op de ondervrucht veldbeemd (gemiddelde graszaadoogst 1991, 1992 en 1993)
aantal erwtenplanten per m2spruiten per m2 voor de winterpluimen per m2zaadopbrengst kg per ha
302.6301.9601.480
602.1101.7801.290
901.7501.5501.120

Bij een lage dichtheid van de erwten bereikte het veldbeemdgewas voor de winter een hogere spruitdichtheid, wat resulteerde in een hogere pluimdichtheid en zaadopbrengst.
Bij veldbonen kan de ondervrucht bij de gebruikelijke dichtheid van 20-25 kiemkrachtige zaden per m2 en een rijenafstand van 50 cm lang profiteren van het doorvallende licht. Een sterke verbetering van de ontwikkelingsmogelijkheden van de ondervrucht door het verminderen van de zaaidichtheid ligt bij dat gewas dan ook niet voor de hand.

Oogst

Om beschadiging aan de ondervrucht en diepe rijsporen te voorkomen, dient de oogst van de erwten en veldbonen onder droge omstandigheden te worden uitgevoerd. Bij het maaien van de erwten met de dubbele messenbalk moet men oppassen voor het beschadigen van het gras (niet te diep afstellen). Het van stam maaidorsen is een goede methode gebleken voor het ondergezaaide gras.
De oogst van veldbonen valt meestal pas in september. Reeds in augustus verliest dit gewas zijn blad al, waardoor het ondergezaaide gras opnieuw licht krijgt.

Vlas

Onder vlas wordt veelal veldbeemd of roodzwenk geteeld. Het is een uitstekende dekvrucht voor deze langzaam groeiende soorten. Wat de vlasrassen betreft is er weinig verschil in hun geschiktheid als dekvrucht. De toepassing van een bodemherbicide is bij graszaadonderteelt mogelijk, maar is, ook al worden de grassen pas vier tot zes weken nadien gezaaid niet geheel zonder risico. Het toepassen van contactherbiciden tegen zaadonkruiden geeft geen problemen voor de ondervrucht. Legering van het vlas moet te allen tijde voorkomen worden. Daarvoor dient men voorzichtig te zijn met de stikstofbemesting en eventueel een groeiregulator toe te passen.
De laatste jaren is de overwegende oogstmethode dauwroten te velde. Dit is afhankelijk van de duur van de rootperiode voor het ondergezaaide gras niet optimaal, maar hoeft niet te leiden tot het verdwijnen van vlas als dekvrucht voor de graszaadteelt. Bij het dauwroten dient de herfststikstofgift ten behoeve van het gras gegeven te worden juist voor het keren van het vlas. Deze stikstofbemesting is niet nadelig voor het op het veld rottende vlas, mits het daarna direct gekeerd wordt.
Om schade aan de ondervrucht door het berijden zoveel mogelijk te vermijden, dienen de werkzaamheden bij het plukken, keren en oprapen van het vlas onder droge omstandigheden uitgevoerd te worden.

Blauwmaanzaad

Het nog zeer weinig geteelde gewas blauwmaanzaad moet evenals graszaad zeer ondiep worden gezaaid en kan dus goed gemengd worden uitgezaaid. Het algemeen gebruikte herbicide Asulox wordt niet door veldbeemd verdragen. Roodzwenk verdraagt dit middel wel, mits toegepast direct na het zaaien en niet, na opkomst. Het blauwmaanzaad is verder een goede dekvrucht voor de graszaadteelt.

Zomergerst

Inspelend op de problematiek van de bestrijding van tarwe-opslagplanten zijn de mogelijkheden van zomergerst als dekvrucht van veldbeemdgras nader verkend. In de herfst/winter voorafgaand aan de zaai van de zomergerst werd veldbeemdgras gezaaid waarna de zomergerst in het voorjaar overdwars met een graslandoorzaaimachine werd gezaaid. Het veldbeemdgras ontwikkelde zich sterker naarmate het eerder werd gezaaid. De zaadopbrengst van het vroeg voorgezaaide veldbeemdgras, zoals die in deze benadering in 2001 en 2002 werd bereikt, viel op grond van de spruit- en pluimdichtheid tegen. Daarmee werd nogmaals bevestigd dat zomergerst geen aan te bevelen dekvrucht voor veldbeemdgras is.