Secondary menu

Teelthandleiding graszaad - bodem en bemesting

15/06/2005 - G.E.L. Borm - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit hoofdstuk van de teelthandleiding graszaad is informatie te vinden over de rol van bodem en bemesting in de graszaadteelt.

Bodem

De meeste soorten graszaad verlangen een goed vochthoudende grond. Tijdens de bloei en afrijping ontstaat snel schade als gevolg van droogte. Hiermee kan gedeeltelijk verklaard worden dat de opbrengstniveaus van de meeste soorten op zand- en dalgronden duidelijk lager liggen dan op zavel- en kleigronden.
Uit ervaring is bekend dat de oudere kalkarme kleigronden zeer geschikt zijn voor de teelt van Engels raaigras en veldbeemdgras.

Stikstofbemesting nazomer

Sinds enkele jaren mag er geen stikstof meer worden gestrooid na half september. Geprobeerd wordt dat de overjarige graszaadgewassen opgenomen worden in de lijst van uitzonderingen waar nog een toepassing van stikstof geoorloofd is tot half oktober.

Eerstejaarsgewassen

In het oogstjaar kunnen veel halmen verwacht worden van gewassen die voor de winter veel sterke spruiten hebben gevormd. Het is vooral bij traag groeiende grassoorten daarom vaak noodzakelijk dat een stikstofbemesting wordt gegeven om de ontwikkeling voor de winter te stimuleren.

Engels raaigras

In de jaren 1987 tot 1989 zijn vijf proeven uitgevoerd waarin de stikstofbemesting op Engels raaigras na de oogst van de dekvrucht wintertarwe of zomergerst werd onderzocht. Begin september of begin oktober werd 45 kg stikstof per ha gestrooid. Gemiddeld over de vijf proeven had de stikstofbemesting geen effect op de opbrengst ten opzichte van geen stikstofbemesting. Ook in een serie proeven uitgevoerd in het begin van de jaren tachtig werd bij een goede voorjaarsbemesting geen effect van een herfstbemesting gevonden.
Een bemesting van 30 kg N per ha lijkt alleen zinvol als het gras zwak ontwikkeld onder de dekvrucht vandaan komt of als pas laat gezaaid wordt (na half september). Deze stikstofgift dient direct na de oogst van de dekvrucht of bij het zaaien gegeven te worden. Bij tijdige open landzaai of als het gras goed ontwikkeld onder de dekvrucht vandaan komt, is een bemesting dus niet zinvol. Na een voor- of dekvrucht waarbij veel stikstof in de bodem achterblijft (pootaardappelen, erwten), is minder snel een stikstofbemes-ting nodig dan na een arme voor- of dekvrucht (granen).

Roodzwenkgras

In het algemeen wordt in goed tot zwaar ontwikkelde gewassen roodzwenk de hoogste opbrengst bereikt bij een gift van 30 à 45 kg N per ha. Om overontwikkeling te voorkomen dient de stikstof bij goed tot zwaar ontwikkelde gewassen niet te vroeg te worden gegeven. Dan kan deze gift tot half september uitgesteld worden. Bij matig tot slecht ontwikkelde gewassen kan deze gift verhoogd worden tot 60 kg N per ha. Het beste kan deze dan direct na de oogst van de dekvrucht gestrooid worden.

Veldbeemdgras

Gebleken is dat veldbeemdgras na de oogst van de dekvrucht een stikstofbemesting nodig heeft van ongeveer 60 kg N per ha. Op zwak ontwikkelde gewassen kan deze gift verhoogd worden tot 90 kg N per ha. Op zeer goed ontwikkelde gewassen is een bemesting met 30 à 45 kg N per ha voldoende. In de praktijk zijn goede ervaringen opgedaan met het toedienen van deze stikstofgift in de fase dat de dekvrucht afrijpt.

Italiaans raaigras

Afhankelijk van de voor- of dekvrucht is op Italiaans raaigras na het zaaien in de nazomer geen stikstofgift nodig of maximaal een gift van 30 kg N per ha. Als Italiaans raaigras onder een dekvrucht of na een vroege voorvrucht gezaaid wordt (begin augustus), kan het gras in de herfst gebruikt worden voor voederwinning (zie ook hoofdstuk herfstbehandeling). Tussen half augustus en begin september is dan een stikstofgift van 80 kg N per ha nodig. Met het afgevoerde gras verdwijnt ongeveer 60 kg N per ha. Na de voedersnede is een gift van 30 à 45 kg N per ha nodig om de ontwikkeling voor de winter te stimuleren.

Overjarige gewassen bij maaien

Bij een overjarige teelt hebben de meeste soorten graszaad in de nazomer of herfst een stikstofbemesting nodig. Deze gift kan het beste gegeven worden na de gebruikelijke maaibehandeling. Vroege toediening kan er immers alleen maar toe leiden dat vaker gemaaid moet worden.
De optimale stikstofbemesting wordt beïnvloed door het type en het ras. De effecten hiervan kunnen in de bemestingsrichtlijnen niet concreet aangegeven worden. Teeltadviseurs van de kwekers/handelaren weten of de bemestingsrichtlijn voor hun ras aangepast moet worden.

Engels raaigras

Een stikstofbemesting in de nazomer op overjarig Engels raaigras is niet rendabel. Uit onderzoek, waarbij geen rassen van het grasveldtype waren opgenomen, gaf een stikstofgift van 45 kg N per ha een meeropbrengst van slechts 30 kg zaad per ha.
Als het stro van de voorafgaande graszaadoogst verhakseld is (zie hoofdstuk herfstbehandeling), dan gaf een stikstofgift van 45 kg N per ha direct na het hakselen een meeropbrengst van 60 kg zaad per ha.

Roodzwenkgras

Het effect van een stikstofbemesting in de nazomer op overjarig roodzwenkgras is niet altijd even duidelijk. In sommige proeven werden sterke opbrengstverhogingen waargenomen. Er zijn echter ook negatieve effecten mogelijk. Het lijkt in het algemeen gewenst om 45 kg N per ha te geven.
Als het stro van de voorafgaande graszaadoogst verhakseld is (zie hoofdstuk herfstbehandeling) hoeft de stikstofgift niet verder te worden verhoogd.

Veldbeemdgras

Uit oud onderzoek is gebleken dat overjarig veldbeemdgras zeker positief reageert op een stikstofbemesting in de herfst. De grootte van de gift moet 60 kg N per ha zijn. Uit onderzoek in de jaren 1986-1988 is gebleken dat deze gift het beste in de eerste helft van oktober toegediend kan worden.

Overjarige gewassen bij beweiden

In verschillende gebieden is het vrij gebruikelijk om overjarige percelen veldbeemd en Engels raaigras in de nazomer en herfst te beweiden met schapen. Door de dieren wordt per saldo stikstof afgevoerd. Deze hoeveelheid kan geschat worden op ongeveer 25 gram N per schaap per dag beweiden. Bij een beweidingdruk van 1000 dierdagen (bijvoorbeeld: 50 dieren op één ha 20 dagen lang) wordt dan 25 kg N per ha afgevoerd. Het stikstofgehalte van Engels raaigras is lager dan van veldbeemdgras. Bij Engels raaigras zal de afvoer van stikstof bij beweiden dus wat lager zijn dan bij veldbeemdgras. Het lijkt logisch om deze afvoer te compenseren.
De normale herfststikstofgift kan vervroegd gegeven worden in augustus. De extra bemesting kan het beste ongeveer twee weken voor het begin van de beweiding worden gegeven. De grasgroei wordt hiermee gestimuleerd en het jonge gras is aantrekkelijker voor de schapen. Een te ruime periode tussen bemesting en beweiding kan echter het omgekeerde effect hebben. Na de aanvankelijke stimulans treedt versneld veroudering van het gras op.
Bij meerdere beweidingperioden is het niet zinvol om nog in november of later een extra stikstofgift te strooien. Er vindt dan geen opname van stikstof door het gras meer plaats. Dit is bovendien niet meer toegestaan.

Engels raaigras

In 1991, 1992 en 1994 werden proeven uitgevoerd waarin het effect van beweiding met schapen op de optimale stikstofgift bij Engels raaigras werd nagegaan. De conclusie uit de drie proeven is dat een (extra) stikstofgift van 60 kg N per ha nodig is die gevolgd moet worden door een stikstofgift in het voorjaar van 200 kg N per ha. In deze proeven werd geen groeiregulatie toegepast.

Roodzwenkgras

In de periode 1991-1995 werd het effect van beweiding op de optimale stikstofbemesting in nazomer en herfst onderzocht. Afhankelijk van de beweidingintensiteit, van 500 tot 1000 dierdagen, lijkt het wenselijk om respectievelijk 30 tot 45 kg N per ha extra toe te dienen. Een verhoging van de stikstofgift in het voorjaar bij late beweiding is niet nodig.

Veldbeemdgras

Uit onderzoek in de periode 1988-1990 dat niet gericht was op aanpassing van de stikstofgift, is de indruk verkregen dat een extra stikstofbemesting van 30 tot 60 kg N per ha nuttig is. In het onderzoek werd 30 kg extra stikstof per ha gestrooid na afloop van een beweidingperiode van ongeveer 500 dierdagen.

Stikstofbemesting voorjaar

De stikstofbemesting in het voorjaar is erop gericht om de generatieve groei zoveel mogelijk te bevorderen. Anderzijds wordt beoogd overdadige vegetatieve groei, blad en spruitgroei, zo weinig mogelijk te stimuleren. Een vroege bemesting zal een gunstiger verhouding tussen generatieve en vegetatieve groei bewerkstelligen. De beworteling en opname van de oudere goed schietende spruiten is namelijk beter. De stikstof wordt daarom in het algemeen in een eenmalige gift en vroeg gegeven, zeker aan de vroeg rijpende soorten.
Grofweg kan gezegd worden dat veldbeemdgras, roodzwenkgras, hardzwenkgras en kropaar vroeg (februari), beemdlangbloem en vroeg doorschietende rassen van Engels raaigras (voorheen hooitype) matig vroeg (maart) en laatdoorschietende rassen van Engels raaigras (voorheen weidetype) en meeste rassen van het grasveldtype van Engels raaigras, Italiaans raaigras, struisgras en timothee laat (april) aan de generatieve ontwikkeling beginnen. Bij vroege soorten kan in de eerste helft van februari bemest worden. Latere soorten moeten voor 15 maart bemest zijn.

Zoutschade

Bij lichte vorst en ondiep bevroren grond kan zonder bezwaar stikstof gestrooid worden. Ook wanneer later na dooi weer vorst volgt, zal het gras geen schade oplopen. Wel kunnen zich problemen voordoen wanneer stikstof gestrooid wordt en de grond diep bevroren is. Wanneer daarna langzame dooi met weinig regen invalt, blijft de kunstmest in de toplaag opgelost en kan de zoutconcentratie plaatselijk te hoog oplopen. Hetzelfde kan optreden wanneer er sneeuw ligt. Strooien over de sneeuw wordt sterk ontraden.
Vooral bij hoge stikstofgiften kan de schade aan de grasplanten aanzienlijk zijn. Onder dergelijke ongunstige omstandigheden is het beter de gift te halveren en te strooien met een tussentijd van één tot twee weken.
Bij laat gezaaide raaigrasgewassen kan een bemesting van meer dan 90 kg N per ha in het vroege voorjaar verbranding geven. Het is dan nuttig om de gift te delen en de tweede gift één tot twee weken uit te stellen.

Legering

Het effect van de voorjaarsstikstofbemesting op de opbrengst van het gewas hangt bij graszaad sterk af van het optreden van legering. Het optreden van legering wordt sterk door het weer bepaald. Als voor de bloei al legering optreedt, wordt de bestuiving en de zaadvulling belemmerd. De optimale stikstofbemesting wordt zodoende per jaar sterk beïnvloed door het tijdstip waarop legering optreedt en de mate van legering. In een droog voorjaar is de optimale stikstofgift derhalve hoger dan in een nat voorjaar. Met de toelating van de groeiregulator Moddus in graszaadgewassen kan de legering beter worden beheerst (zie verder hoofdstuk groeiregulatie).

Engels raaigras

Bij de teelt van Engels raaigras op kleigronden bleek er uit onderzoek dat in de periode 1978-1983 werd uitgevoerd bij gewassen bestemd voor de eerste zaadoogst, die voor een flink deel onder dekvrucht wintertarwe dan wel vlas vandaan kwamen, er een goed verband te bestaan tussen de bodemvoorraad stikstof in de laag 0 - 90 cm en de optimale stikstofgift. De volgende formule wordt hiervoor gebruikt: 165 kg N per ha minus 0,6 x N-mineraal (0 - 90 cm). Bij 25 kg N in de bodem zou de optimale stikstofgift dus 150 kg zijn. Onderzoek op zandgrond heeft uitgewezen dat de formule daar bij eerstejaars gewassen iets aangepast moet worden: 165 kg N per ha minus N-mineraal (0 - 60 cm).
Uit later onderzoek (2000-2004) op kleigrond waarbij meerdere rassen in één proef werden opgenomen leverde op dat er duidelijke verschillen in reactie op verschillende niveaus van stikstofvoorziening tussen de rassen optraden waardoor een rasspecifiek advies wenselijk is. Gezien het grote aantal rassen en het snelle verloop van de rassen wordt aan dit type van onderzoek geen hoge prioriteit meer gegeven.
Een globaal indicatief samenvattend beeld dat het vijfjarig onderzoek (zonder toepassing van groeiregulatie) oplevert, wijst erop dat vooral de rassen van het grasveldtype sterk in zaadopbrengst achteruit gaan indien de stikstofgift met 30 kg per ha ten opzichte van het oude advies wordt verlaagd. Dat is iets minder het geval bij de tetraploïde rassen en de rassen van het diploïde hooitype. De rassen van het diploïde weidetype lijken niet negatief te reageren op een vermindering van de stikstofgift, al is het aantal onderzochte rassen (2) wel gering om deze conclusie in zijn algemeenheid te trekken en kan het beeld veranderen indien wel Moddus zou zijn toegepast (zie tabel 1).

Tabel 1. Vermindering van zaadopbrengst door vermindering van voorjaarsgift met 30 kg N per ha t.o.v. oude advies (5 proeven 2000-2004, zonder Moddus)
typeaantal rassenjaar*ras combinatiesvermindering zaadopbrengst (kg/ha)
grasveldtype
5
10
176
tetraploïd weide-/hooitype
2
8
91
diploïd hooitype
3
8
94
diploïd weidetype
2
5
-9

In 5 proeven op klei en zandgrond in eerste jaarsgewassen met een ras van het tetraploïde hooitype in de periode 2000-2003 werd dit beeld bevestigd. Een verhoging van de stikstofgift met 45 kg N per ha ten opzichte van het oude advies leidde (met toepassing van groeiregulatie) tot een verhoging van de zaadopbrengst van gemiddeld 170 kg per ha.
Voor het vaststellen van de stikstofgebruiksnorm zijn alle resultaten van 14 proeven uit de periode 1999 tot en met 2004 samengevat. De bodemvoorraad stikstof was in deze jaren beduidend lager (klei gemiddeld 24 kg/ha, zand 11 kg/ha) dan in de proeven waar het oude advies op gebaseerd was (klei 20-156, gemiddeld 60 kg/ha).
Mede op basis van deze nieuwste onderzoeksresultaten en de prijsverhouding tussen kunstmest en zaad van Engels raaigras is zowel op klei als zandgrond als nieuw advies voorgesteld: 195 – Nmin waarbij Nmin op klei betrekking heeft op de laag 0-90 cm en op zand op de laag 0-60 cm. Bij een Nmin van 25 kg per ha zou daarmee de stikstofgebruiksnorm op 170 kg uitkomen. Hierbij wordt mede op basis van de in tabel 18 vermelde waarden nog wel een onderscheid gemaakt voor de verschillende types. Voor het qua areaal veruit belangrijkste grasveldtype wordt het stikstofadvies wat hoger (220 - Nmin) maar voor het diploïde weidetype wat lager (180 – Nmin). Voor tetraploïde rassen kan 205 – Nmin worden aanbevolen en voor rassen van het diploïde hooitype 190 – Nmin.
Het verschil ten opzichte van het oude bemestingsadvies is terug te voeren op het veranderde rassenpakket en wijzigingen in de teelt. In de teelt wordt veel meer dan voorheen Engels raaigras in open land gezaaid waardoor het gewas minder sterk ontwikkeld de winter uitkomt dan als het gewas onder dekvrucht vandaan komt. Daarnaast is het nu mogelijk een groeiregulator in te zetten als overontwikkeling dreigt.

Roodzwenkgras

In onderzoek op kleigrond kon er bij roodzwenkgras geen verband gelegd worden tussen de bodemvoorraad stikstof en de optimale stikstofgift. De invloed van de bodemstikstof is blijkbaar klein ten opzichte van factoren als weer, legering en doorwas. Voor gewoon roodzwenkgras en roodzwenkgras met fijne uitlopers is het advies 85 kg N per ha. Roodzwenk met forse uitlopers moet duidelijk minder stikstof hebben en heeft voldoende aan 70 kg stikstof per ha.

Veldbeemdgras

Ook bij veldbeemdgras kon evenals bij roodzwenkgras geen invloed vastgesteld worden van de bodemvoorraad stikstof op de optimale stikstofgift op kleigrond.
Volgens onderzoek blijkt de gemiddelde economisch optimale voorjaarsgift 110 kg N per ha te zijn. Bij veldbeemdgras blijkt er echter een vrij groot verschil in stikstofbehoefte te bestaan tussen verschillende rassen. Voor rassen van het voedertype werd halverwege de tachtiger jaren als gemiddeld optimale voorjaarsgift 95 kg N per ha berekend en voor de rassen van het grasveldtype 135 kg N per ha.

Italiaans raaigras

In het voorjaar heeft Italiaans raaigras een stikstofgift van 60 kg N per ha nodig. Bij hogere giften ontstaat te veel doorwas, wat ten koste gaat van de opbrengst. Bij voormaaien voor voederwinning is natuurlijk een hogere gift (100 kg N per ha) nodig die al in februari gestrooid moet worden. Door het voormaaien wordt 100 tot 140 kg N per ha afgevoerd. Deze onttrekking moet door de stikstofbemesting in februari plus een stikstofbemesting na het maaien gecompenseerd worden. Bij een afvoer van 100 tot 140 kg N per ha plus een gewasbehoefte voor zaadproductie van 60 kg N per ha, moet in totaal 160 tot 200 kg N gestrooid worden. Na aftrek van de gift in februari moet dan na het voormaaien 60 tot 100 kg N per ha gestrooid worden. Indien de afgevoerde hoeveelheid drogestof bekend is, kan de afgevoerde hoeveelheid stikstof berekend worden met behulp van het stikstofgehalte. Dit bedraagt ongeveer 3,8% in de drogestof.

Overige soorten

In 1989 tot 1992 werd op zand- en dalgrond het effect van de hoogte van de voorjaarsstikstofbemesting op de zaadopbrengst van vier kleinere grassoorten onderzocht. Bij vergelijking met oud onderzoek op klei- en zavelgronden werden geen verschillen gevonden. Geconcludeerd kan daarom worden dat timothee en beemdlangbloem een gift van 70 à 80 kg N per ha nodig hebben en kropaar ongeveer 90 kg N per ha. Volgens het onderzoek heeft rietzwenkgras (weidetype) ongeveer 70 à 80 kg N per ha nodig, maar uit praktijkervaring op kleigrond en buitenlands onderzoek lijkt vooral voor rassen van het grasveldtype een gift van 100 kg N per ha beter die in combinatie met de toepassing van groeiregulatie kan worden verhoogd tot 135 kg N per ha.

Overjarige gewassen

Vaak wordt beweerd dat overjarige gewassen een hogere stikstofbemesting in het voorjaar nodig hebben dan eerstejaarsgewassen. Hier zijn argumenten voor en tegen te bedenken. De uitspraak is echter niet sterk gestoeld op onderzoek in Nederland. Het Nederlandse onderzoek heeft zich hierbij vooral gericht op bijzondere aspecten zoals beweiding en de effecten van het achterlaten van het stro (zie hoofdstuk herfstbehandeling).
Waarschijnlijk heeft vooral bij overjarige gewassen de hoogte van de bemesting in de voorafgaande nazomer of herfst en het al dan niet uitvoeren van opslagbestrijding invloed op de hoogte van de optimale voorjaarsbemesting.

Bijbemesting, deling stikstofgift en gebruik chlorofylmeter

Regelmatig wordt de vraag gesteld of deling van de stikstofgift of bijbemesting gunstig is voor de zaadproductie. Graszaad reageert op een late stikstofgift duidelijk anders dan granen. Grassen zijn overjarig. Na de bloei heeft het gewas de neiging opnieuw uit te stoelen. Die doorwas of hergroei is het sterkst bij nat weer en naarmate meer stikstof beschikbaar is. Doorwas is niet alleen lastig bij de oogst, maar betekent ook concurrentie voor de vulling van het zaad.
Een tweede verschil met de granen is dat de korrelvulling nauwelijks door het blad verzorgd wordt, maar hoofdzakelijk door de aar en de stengel. Lang groen houden van het blad via late stikstof werkt daardoor veelal niet positief. De resultaten van bijbemesting en/of gedeelde giften hangen sterk af van het weer in het groeiseizoen. Uit onderzoek met Engels raaigras in 1978 en 1983 waarbij een tweede stikstofgift pas in het aarstadium werd gegeven werd met een gedeelde gift niet het opbrengstniveau van een eenmalige vroege gift bereikt. Alleen wanneer de eerste gift veel te laag is geweest, is de schade via de late gift gedeeltelijk te herstellen. Ook uit Deense gegevens blijkt een bijbemesting juist voor de bloei alleen dan aan te bevelen wanneer de vroege bemesting duidelijk te laag geweest is. In dit geval kan ongeveer 10 dagen voor de bloei van het graszaad ongeveer 40 kg N per ha gegeven worden in de vorm van kalksalpeter of ureum. Verbranding mag natuurlijk niet optreden.
In recent onderzoek is zowel op klei als zandgrond voor Engels raaigras opnieuw nagegaan of door deling van de stikstofgift de bemesting beter kan worden uitgevoerd dan door een éénmalige vroege gift. Geprobeerd werd om na een vroege gereduceerde basisgift door middel van een tweede gift in het twee-knopen-stadium dan wel het vlagbladstadium tot een beter eindresultaat te komen. In een aantal proeven werd door deking hogere opbrengsten bereikt maar de resultaten zijn nog onvoldoende éénduidig om deze methode te kunnen aanbevelen.
Tevens is voor Engels raaigras onderzocht in hoeverre de chlorofylmeter een goed hulpmiddel kan zijn voor het bepalen van de optimale hoogte van de tweede stikstofgift. Helaas doen zich voor één ras te grote verschillen voor tussen jaren en grondsoorten. Bovendien treden er aanzienlijke rasverschillen op zodat deze methode niet zinvol in de graszaadteelt kan worden aangewend.

Een overzicht van de aanbevolen stikstofbemesting is weergegeven in bijlage 1.

Fosfaat-, kali- en zwavelbemesting

Graszaad stelt geen extreem hoge eisen aan de kalitoestand. Bij een kaligetal van 18 wordt zelfs geen kalibemesting meer nodig geacht.
Uit onderzoek met Engels raaigras, roodzwenkgras en veldbeemdgras in de periode 1989-1991 is gebleken dat een fosfaatbemesting op graszaad beslist niet zinvol is. Ook de toestand van de bodem heeft geen invloed op de zaadopbrengst.
In 2004 zijn op lichte zavelgrond in noord Nederland, waar vanwege een laag zwavelleverend vermogen en lage depositie het eerst zwavelgebrek kan worden verwacht, twee proeven in Engels raaigras uitgevoerd met een ras van het grasveldtype. Met een gift van 45 tot 60 kg SO3/ha (18-24 kg/ha) werd een duidelijke opbrengstverhoging bereikt. Onduidelijk is of dat ook voor andere soorten, typen en rassen het geval is en of dat ook in andere regio’s en op andere grondsoorten optreedt.

Afvoer van stikstof, fosfaat en kali

Ondanks het feit dat graszaad geen fosfaat- en kalibemesting nodig heeft, moet de onttrekking van fosfaat en kali door het gewas in bouwplanverband natuurlijk wel gecompenseerd worden. De in tabel 2 vermelde waarden kan hiervan als basis dienen.

Tabel 2. Gehalten van N, P2O5 en K2O uitgedrukt in kg per ton droge stof van zaad, afval en stro (gehalten in afval alleen voor P2O5 bekend)
Grassoort
N
P2O5
K2O
zaad
stro
zaad
afval
stro
zaad
stro
Engels raaigras
22
8
10
7
4
8
25
roodzwenkgras
21
8
11
6
4
8
24
Veldbeemdgras
19
8
9
5
5
9
25

Toepassing dierlijke mest

In verband met de onzekerheid ten aanzien van het beschikbaar komen van stikstof voor het gewas en de consequenties die dit kan hebben voor graszaadgewassen is er weinig onderzoek uitgevoerd naar de toepassingsmogelijkheden van dierlijke mest. Afhankelijk van het mestbeleid van de overheid kan de toepassing van mest een aanzienlijke besparing op de bemestingskosten geven. Door het op termijn verdwijnen van toepassingsmogelijkheden van dierlijke mest in het najaar is graszaad één van de gewassen waarin vrij goed dierlijke mest kan worden toegediend.

Veldbeemdgras

Gedurende drie jaar is op zavelgrond onderzocht bij gewassen bestemd voor een tweede zaadoogst in hoeverre dierlijke mest kunstmest kan vervangen. De varkensdrijfmest werd geïnjecteerd. Hierbij werd zowel voor de nazomer als voorjaarstoepassing uitgegaan van een werkingscoëfficiënt voor stikstof van 50 procent. Vooral de vervanging van de nazomergift door drijfmest was niet nadelig voor de zaadopbrengst (zie tabel 3). Vanaf 2009 is de toepassing van mest in de nazomer echter verboden.

Tabel 3. Effect vervanging kunstmest door varkensdrijfmest in veldbeemdgras voor een tweede zaadopbrengst
nazomergift (60 kg N/ha)voorjaarsgift (125 kg N/ha)netto zaadopbrengst (kg/ha)
199419951996
geengeen 315840
kunstmestkunstmest1.160 2.130
drijfmestkunsmest1.0501.1702.100
kunstmestdrijfmest  1.825
drijfmestdrijfmest9851.0251.975

Engels raaigras

In het voorjaar van 2002 is op zavelgrond een proef uitgevoerd in vijf rassen die verschilden in vroegheid die in open land waren gezaaid. Hierbij werd 1/3, 2/3 dan wel de gehele stikstofbemesting als drijfmest gegeven. De zaadproductie van de late rassen was bij toepassing van 1/3 van de stikstofvoorziening gelijk aan uitsluitend kunstmest. Bij een hogere fractie drijfmest en bij de vroegere rassen nam de zaadopbrengst ten opzichte van de kunstmesttoepassing af. In 2003 zou in de proef door de slechte berijdbaarheid in het vroege voorjaar en de mindere ontwikkeling van het gewas door de weersomstandigheden in de winter pas zeer laat (tijdens de strekking van het gewas) drijfmest kunnen worden toegepast. Hiervan is afgezien.
De toepassingsmogelijkheden zouden nader moeten worden verkend onder andere van toepassingstechnieken die minder hoge eisen stellen aan de draagkracht van de grond in het vroege voorjaar. Het onderzoek wordt vanaf het voorjaar van 2005 vervolgd.
In een proef met een tweedejaarsgewas Engels raaigras (ras van het grasveldtype), die in 1995 werd geoogst, trad geen daling van de zaadopbrengst op indien de voorjaarsbemesting voor de helft met kunstmest en de helft met drijfmest werd gegeven. De opbrengst daalde indien de volledige stikstofgift in het voorjaar met drijfmest werd gegeven.

Afbeelding. Toepassing van drijfmest in vroege voorjaar in Engels raaigras met zode-injecteur