Secondary menu

Teelthandleiding graszaad - bestrijding van plagen

15/06/2005 - G.E.L. Borm - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit hoofdstuk van de teelthandleiding graszaad is informatie te vinden over de bestrijding van plagen in graszaad.

In de graszaadteelt kunnen bij enkele grassoorten specifieke insecten van betekenis zijn. In hoeverre ze van invloed zijn op de zaadproductie, is slechts van een enkele aantasting bekend. Het economisch belang van een bestrijding is dan ook vaak niet bekend. Voor ...

Bladluizen

Op grassen zijn de meest voorkomende bladluizen de raaigrasluis (Metopolophium festucae) en de vogelkersluis (Rhopalosiphum padi). In hoeverre een aantasting door bladluizen de zaadproductie beïnvloedt, is niet bekend. In het algemeen komt de aantasting weinig voor. Op Engels raaigras en roodzwenkgras komt soms in bepaalde jaren een forse aantasting voor rond en na de bloeiperiode. Bij grote aantallen luizen ontstaan er gele bladtoppen en wordt de groei geremd.
Van raaigrasluizen bestaat een groene en een roze vorm. Ze leven uitsluitend op gramineeën (granen, grassen). De voornaamste waardplanten zijn Engels raaigras en roodzwenkgras. Deze grassen zijn het meest gevoelig. Raaigrasluizen zitten zowel op de bladeren als op de bloeiwijzen.
Vogelkersluizen zijn groen, hebben donkere poten en een rode vlek op het achterlijf. Vogelkersluizen zitten hoofdzakelijk op de basis van de scheuten, binnenin de bladscheden en ook op de bloeiwijzen. Ze veroorzaken zuigschade en scheiden veel honingdauw uit. De zomerwaardplanten zijn granen en grassen, de winterwaardplant is vogelkers.
Eind mei - begin juni begint de vluchtperiode, die meestal in juli en augustus een hoogtepunt bereikt. Tegen de herfst begeven de bladluizen zich naar de winterwaardplanten. Daar overwinteren ze als ei en komen in mei weer tevoorschijn.
Bladluizen hebben natuurlijke vijanden, die de bladluispopulatie kunnen reguleren. Als bladluizen massaal voorkomen, kan een bestrijding worden uitgevoerd met middelen op basis van pirimicarb.

Emelten (Tipula spp.)

Emelten zijn vooral bekend van aantasting van weilanden. Ook in overjarige graszaadpercelen kan een aantasting voorkomen. De emelten zijn de grauwgrijze pootloze larven van de langpootmuggen. De twee belangrijkste soorten die in Nederland voorkomen zijn Tipula paludosa en T. oleracea. T. paludosa heeft één generatie per jaar, ei afzet eind augustus tot begin oktober met een larvaal stadium van half september tot juni het volgende jaar. T. oleracea kent twee generaties per jaar, in april en mei vindt de eerste ei afzet plaats, gevolgd door nog een periode in augustus en september. De larvale stadia komen bij deze soort tussen de ei afzet data voor.
Het afzetten van eieren gebeurt bij voorkeur op vochtige percelen waar ruigte aanwezig is. De eieren komen na enkele weken uit. De 4 cm grote larven, emelten, zijn onder de zode te vinden. Bij vochtig zacht weer verlaten ze 's nachts vaak hun holten en kruipen over de grond op zoek naar voedsel. Vlak boven de grond worden de grasspruiten afgevreten, waardoor afsterving op kan treden. Bij temperaturen onder de 5°C komen ze niet of nauwelijks meer boven de grond. Om vast te stellen of emelten aanwezig zijn, kan men tien zodemonsters van 10 x 10 cm nemen en in een zoutoplossing (1 kg keukenzout in 5 liter water) leggen. De emelten komen dan boven drijven. Voor weiland geldt een schadedrempel van 100 emelten per m2 in het voorjaar en 300 per m2 in het najaar. Boven deze drempel is een bestrijding nuttig. Het is niet bekend in hoeverre de schadedrempel voor graszaad aangepast moet worden. In Nederland zijn geen chemische bestrijdingsmiddelen toegelaten tegen emelten in weiland en de graszaadteelt. Insectparasitaire nematoden (Steinernema carpocapsae) zijn sinds 2005 op de markt met een bestrijdend effect op emelten onder de naam Capsanem.

Fritvlieg (Oscinella frit)

In de graszaadteelt kunnen de larven (maden) van de fritvlieg vrijwel het gehele groeiseizoen schade veroorzaken. Zo kunnen bij een aantasting in het voorjaar in het schietstadium de gevormde aren of pluimen van het gras geheel of gedeeltelijk beschadigd worden (eerste generatie). Kenmerkend voor deze aantasting zijn de loszittende halmen, die later overgaan in witarigheid. Dit komt voornamelijk voor bij roodzwenk- en hardzwenkgras en soms bij de andere grassen. Het meest actief is de fritvlieg bij de zomerzaai van de raaigrassen vanaf de zaai tot in het 3 à 4 bladstadium, en bij de zaai van het Westerwolds raaigras in het voorjaar. Soms is de schade zo groot dat opnieuw moet worden gezaaid. Aantasting kan zich na alle voorvruchtgewassen voordoen, maar het risico na graan- of grasgewassen is aanmerkelijk groter.
In ons land komen meestal drie generaties van de fritvlieg voor. De eieren van de eerste generatie worden gelegd omstreeks half april - begin mei. De 3 à 4 mm glasachtige glanzende, min of meer doorzichtige larven zijn pootloos en hebben een zwarte mondhaak. Ze vreten zich in de spruit en na ongeveer drie weken verpoppen ze zich; ze zijn bruin van kleur. Vanaf eind juni vliegt de tweede generatie. De derde generatie vliegt vanaf ± eind juli tot begin oktober. De eitjes worden vooral afgezet op de opslag van granen en op de grassen. In deze periode zijn vooral pas ingezaaide percelen kwetsbaar. De larven overwinteren in het gewas en verpoppen zich in het voorjaar. Een regelmatige controle bij raaigrassen is vanaf de zaai tot in het 3 à 4 bladstadium gewenst. Vooral beemdlangbloem is gevoelig. Bij aantasting is het volgende te zien: het hartblad wordt geel, verwelkt en kan gemakkelijk worden losgetrokken. Het is moeilijk hierin larven of poppen te vinden. Chemische bestrijding is niet mogelijk. Door te zaaien in de tweede helft van september kan een aantasting ontlopen worden.

Graszaadstengelgalmug (Mayetiola spp.)

De graszaadstengelgalmug is een insect waarvan verschillende soorten op diverse waardplanten kunnen overblijven. Bij veldbeemdgras kan de galmug schade van betekenis geven. Bij andere grassoorten is geen schade gevonden. De eerste galmuggeneratie heeft omstreeks half mei de hoofdvlucht; de tweede en soms derde generatie komen erg gespreid voor vanaf eind juli tot eind september. De schade veroorzaakt door de eerste generatie aan de zaadpluimen (generatieve deel) is vaak gering, omdat in die periode veel eieren worden afgezet op het jonge blad (vegetatieve deel). De tweede generatie veroorzaakt de meeste schade. Hoewel de aantasting op overjarige percelen vaak ernstiger is, kunnen eerstejaars percelen ook aangetast worden. De eerste larven kunnen al onder de dekvrucht worden gevonden. In een overjarig gewas wordt de schade vaak gecompenseerd door het groter aantal grasspruiten. Uit onderzoek is gebleken dat de larven in september meer schade kunnen veroorzaken dan in augustus.
De muggen zetten hun 0,3 tot 0,4 mm lange roodbruine eieren af op de bladnerf aan de bovenzijde van het blad van de jonge veldbeemdspruiten. De eieren komen ongeveer na één week uit. De witte pootloze larven kruipen tussen de bladscheden en knagen het groeipunt weg, waardoor de grasspruit afsterft. In deze afgestorven spruit zijn lager in de voet één of meerdere witte of bruine poppen te vinden.
De larven hebben als natuurlijke vijand de sluipwesp, terwijl in de wintermaanden (nadat de schade is aangericht) poppen gevreten worden door vogels.
Vanwege de grote variatie in bezettingsgraad tussen percelen is een waarschuwingssysteem niet mogelijk. Voor de chemische bestrijding zijn enkele middelen met als werkzame stof deltamethrinn toegelaten. In augustus is de schadedrempel eiafzet op 20 à 25% van de spruiten en in september op 10% van de spruiten.

Mijten

Verschillende grassoorten kunnen aangetast worden door mijten, onder andere door Siteroptes graminum en Panthaleus major. De schade blijft meestal zeer beperkt. Aan de binnenzijde van de bladschede ontstaat zuigschade aan de zachte halmdelen, waardoor slechts een dun draadje overblijft. Dit kan op verschillende hoogtes optreden. De gehele aar/pluim verwelkt en witarigheid ontstaat in de periode vanaf het doorschieten tot aan de oogst. De halm of pluim laat zich gemakkelijk lostrekken. Voorts is de schadeveroorzaker moeilijk vast te stellen. Ook tripsen en fritvliegen veroorzaken in die periode witarigheid. Bestrijding van mijten is niet mogelijk. Naarmate de zaadteeltpercelen meerdere oogstjaren blijven liggen, neemt de aantasting toe. Een ruime vruchtwisseling is aan te bevelen.

Rouwvlieg (Dilophus febrilis)

Een aantasting door de larve van de rouwvlieg komt soms voor bij overjarige gewassen van veldbeemdgras, maar ook bij andere grassoorten kan schade optreden. Overjarige percelen met veel organische resten in de bovenlaag hebben vaak de voorkeur, evenals grasland, gazons en sportvelden. Bij overjarig veldbeemd kan reeds in de herfst schade ontstaan die vaak in haarden voorkomt. Pleksgewijs komt de zode los te liggen en wordt geheel dor. Meestal doet de meeste schade zich direct na de winter voor, wanneer er nog weinig grasgroei is.
De rouwvlieg verschijnt in twee generaties: de eerste omstreeks de maand mei, de tweede in augustus/september.
De één cm lange larve van de rouwvlieg heeft een zwarte kop en een lichter gekleurd lichaam en komt vaak in grote aantallen voor. De larven vreten de grasspruiten op de grens van de wortel/spruit vaak net in de grond af. Een bestrijding via een gewasbehandeling met deltamethrin is alleen zinvol wanneer de larven nog actief zijn. Vaak is de schade pas zichtbaar wanneer de larven al verpopt zijn. In veel gevallen zal de schade beperkt blijven wanneer het veld wordt aangerold.

Slakken

Slakken, vooral de akkeraardslak (Deroceras reticulatum), geven vaak na het zaaien van de diverse grassoorten vraatschade. Problemen komen regelmatig voor op met name de zwaardere kleigronden en na de teelt van populatieverhogende gewassen zoals enkele groenbemesters, redenen om dergelijke percelen regelmatig op vraat te controleren. Bij een hoge luchtvochtigheid zijn de slakken actief en voeden zich met de jonge grasspruiten. De slakken leggen hun eieren in hoopjes bij elkaar in de grond of onder bladeren of plantresten. Het zijn kleine doorzichtige bolletjes. De slakken verschuilen zich overdag onder andere in de bovenlaag van de grond, vooral onder de grovere gronddelen. Voor bestrijding kan gebruik gemaakt worden van slakkenbestrijdingsmiddelen op basis van metaldehyde of ferri fosfaat. Tegenwoordig zijn ook slakparasitaire nematoden (Phasmarhabditis hermaphrodita) inzetbaar tegen slakken. Mogelijkheden om zaaizaad van graszaad te behandelen met slakbestrijdende middelen worden onderzocht. Verstoring van de eiafzetting door middel van de grondbewerking van de voorvrucht geeft ook mogelijkheden. Een fijnere zaaibedbereiding geeft minder problemen met slakken dan een grover zaaibed, omdat slakken hierdoor worden belemmerd in mobiliteit tussen gunstige ondergrondse schuilplaatsen en bovengrondse vraat.

Afbeelding. Uitgedund en onregelmatige bestand Engels raaigras door aantasting slakken

Muizen

Graszaadpercelen dienen regelmatig gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van muizen. Door onder de zode een intensief gangenstelsel op te bouwen ontstaan er in de zomer droogteverschijnselen of sterven de grasplanten af ten gevolge van het doorknagen van de wortels. Muizen vreten ook bovengronds vaak pleksgewijs doorschietende zaadstengels door.
Met behulp van torenvalken en andere roofvogels (buizerds, uilen) kan de muizenpopulatie behoorlijk gereduceerd worden. De torenvalk komt het meest voor. Deze vogel jaagt door zittend vanaf een hoge post of door vliegend de omgeving af te zoeken naar prooidieren. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit veldmuizen, maar ook wel kleine vogels, zoals mussen, en insecten. De torenvalk bouwt zelf geen nest, maar broedt in oude en ook wel veroverde nieuwe nesten. Het plaatsen van nestkasten en van uitkijkposten kan de aanwezigheid van torenvalken sterk bevorderen. Een uitkijkpost moet 3 à 4 m hoog zijn met een rond dwarsbalkje.
Een bestrijding kan ook uitgevoerd worden met Finito veldmuiskorrels, met dien verstande dat het lokaas zodanig moet worden uitgelegd dat het niet in contact kan komen met de bodem of met water. Het lokaas moet worden uitgelegd bij muizegangen in speciaal hiervoor bestemde aan de bovenzijde afgesloten voerdoosjes, of in speciaal ingerichte voerplaatsen zodat andere dieren er niet van kunnen vreten. De combinatie van bestrijding met behulp van valken en met behulp van muizenkorrels gaat moeilijk samen. Valken eten ook de op de grond liggende dode muizen.