Teelthandleiding consumptieaardappelen - ziekten en plagen

15/09/2003 - A. Veerman - PPO-agv

Waar gaat dit over?

In dit deel van de teelthandleiding consumptieaardappelen wordt ingegaan op de ziekten en plagen die een rol spelen bij de teelt van consumptieaardappelen.

Schimmelziekten

Phytophthora

De belangrijkste ziekte in aardappelen is de schimmelziekte Phytophthora infestans. Kenmerkend voor deze ziekte is dat ze in vatbare rassen in korte tijd, één à twee weken, in staat is het loof volledig te vernietigen. Ook de knollen kunnen worden aangetast, waardoor deze verrotten. Sedert enkele jaren is een nieuwe populatie van Phytophthora actief, die veel agressiever is dan de vorige. Bovendien is deze populatie in staat öosporen te vormen, dit zijn rustsporen die langdurig in de grond kunnen overleven. Het huidige areaal consumptieaardappelen in Nederland bestaat voor een groot deel uit voor de ziekte zeer vatbare rassen. Daarom vindt tijdens de teelt een intensieve preventieve bestrijding plaats.

Aantastingsbeeld
De aardappelziekte kan bovengronds zowel het blad als de stengel aantasten. Op de blaadjes ontstaan waterige, niet scherp begrensde vlekken van 1 à 2 cm doorsnede. Op deze vlekken kan bij een hoge relatieve luchtvochtigheid binnen enkele uren een dunne laag wit schimmelpluis van sporendragers ontstaan, meestal aan de onderzijde van het blad. Binnen een dag wordt dit sporulerende gedeelte van de vlekken bruin. Aan de randen van de vlekken groeit de schimmel verder totdat het hele blaadje is aangetast of totdat het blad afsterft. Op de grens tussen groen en bruin blad is vaak een lichtgroene zone zichtbaar. Droogt een aangetaste plek op dan is de ziekte lastig te onderscheiden van bijvoorbeeld Botrytis. Een eenvoudige test, die een grote mate van zekerheid kan verschaffen of het werkelijk om Phytophthora gaat, is de volgende: stop enkele aangetaste blaadjes in een plastic zak, voeg er een paar druppels water bij en leg het afgesloten zakje bij kamertemperatuur (20-22°C) weg. De volgende dag kan Phytophthora worden herkend als zich aan de onderkant van de aangetaste blaadjes wit schimmelpluis heeft gevormd.

Op een aangetaste stengel komen grote, langwerpige, grauwbruine tot bruinzwarte vlekken voor die vaak de hele stengel omringen. Deze stengels zijn op de plaats van de aantasting zeer gevoelig voor breuk. Onder vochtige omstandigheden wordt hierop, evenals bij bladeren, sporulerend schimmelpluis gevormd. Stengelaantasting ontstaat meestal in bladoksels. Stengelaantasting komt relatief vaak voor in jonge, nog niet gesloten gewassen. In tegenstelling tot bladeren kan de schimmel in aangetaste stengels lange tijd in leven blijven en bij gunstige omstandigheden weer gaan sporuleren. Stengelaantasting kan ook vanuit een aangetaste moederknol ontstaan.
Sporen kunnen in vochtige grond enkele weken overleven. Via regenwater of beregening kunnen ze naar de knollen worden gespoeld. Vanuit kiemende sporen kan de schimmel via lenticellen en beschadigingen de knol binnendringen. Op de knollen is de beginnende aantasting zichtbaar als blauwachtige, door de schil schemerende vlekken. Het onderliggende knolweefsel is oppervlakkig aangetast en licht roestbruin van kleur. Tussen deze bruingekleurde enigszins draadvormige structuren komen stukjes normaal weefsel voor. Een dergelijke aantasting wordt "jong ziek" genoemd. Bij voortschrijdende aantasting droogt het knoloppervlak op onregelmatige wijze meer of minder in waardoor een bobbelig oppervlak ontstaat. Bij doorsnijden is het aangetaste weefsel gekenmerkt door strengen roodbruin verkleurd weefsel die op het oog gezond weefsel omsluiten. Knolaantasting komt op nattere gronden en op zware kleigrond (scheuren in de grond) meer voor dan op zandgrond. Onder vochtige omstandigheden kan zich ook op aangetaste knollen schimmelpluis ontwikkelen, dat zich tijdens de bewaring verder kan uitbreiden. Ook secundair optredend natrot kan zich tijdens de bewaring naar gezonde knollen verspreiden.

Levenswijze
Phytophthora overleeft ongunstige perioden als schimmeldraden in aangetaste knollen of stengels. De kans dat de ziekteverwekker in de winter in het veld in knollen overleeft, is klein omdat aangetaste knollen onder die omstandigheden gemakkelijk wegrotten. In de bewaarplaats is de kans op overleven voor de schimmel veel groter. De schimmel kan ook vrij in de grond overleven als oöspore, een soort rustspore. Deze oösporen bleken in kleigrond na tenminste twee jaar en in zandgrond na tenminste drie jaar nog infectieus te zijn. Gebleken is dat overwinterende oösporen infecties in een volggewas kunnen veroorzaken, zodat vanuit de bodem onverwacht infecties kunnen optreden.
Vanuit een aangetaste knol groeit de schimmel mee door de plant, waarbij onder voor de schimmel gunstige omstandigheden (relatieve luchtvochtigheid > 90%) sporedragers met sporen op stengels en/of bladeren worden gevormd. Deze sporen kunnen andere planten infecteren, waardoor de ziekte zich kan verspreiden. Met de infectie van knollen is de cyclus rond. Verspreiding van de sporen gebeurt met wind of opspattende regen. Kieming van sporen en infectie geschiedt alleen in water. Er is dus dauw of regen nodig. Voorts zijn kieming en infectie afhankelijk van de temperatuur. Er wordt vanuit gegaan dat de kieming van de spore plus de binnendringingstijd bij 12 tot 18 °C voor een vatbaar ras minimaal twee uur duurt. Na binnendringen duurt het tenminste drie dagen voordat de schimmel weer naar buiten komt en sporendragers met sporen vormt. Om tot sporenvorming te komen, moet er in het gewas gedurende langere tijd een relatieve luchtvochtigheid van meer dan 90% heersen. Voor de oude schimmelpopulatie was dat minimaal 10 uur; voor de nieuwe populatie is dat nog niet bekend maar gezien de verhoogde agressiviteit mag er van worden uitgegaan dat deze periode tenminste 20 tot 30% korter zal zijn. Bij 15 tot 20°C duurt de cyclus van spore via een aangetaste plek tot de nieuwe generatie sporen drie tot vier dagen, mits de omstandigheden hiervoor gunstig zijn. Bij temperaturen boven de 27 °C en beneden circa 2 °C staat de groei van de schimmel stil.
De ontwikkeling van de aardappelziekte wordt gelukkig vaak onderbroken: bij droog weer (relatieve vochtigheid < 90%) kunnen geen sporendragers en sporen worden gevormd en als er geen vrij water op de plant aanwezig is, kunnen de sporen niet kiemen en binnendringen. Zijn er wel sporen gevormd, maar zijn er overdag enkele uren zon, dan zullen veel sporen door ultraviolet licht en door de droogte worden gedood. Op dit soort gegevens zijn teeltbegeleidings- en ziektebeheersingssystemen gebaseerd.

Voorkomen en bestrijden
Zolang er geen volledig resistente rassen zijn of betrouwbare chemische middelen met een curatieve (genezende) werking, zal de bestrijding moeten worden gericht op het voorkómen van de aantasting. Hiertoe zijn zowel teelttechnische maatregelen als preventieve bespuitingen onmisbaar.

Teeltmaatregelen
Bedrijfshygiëne. Phytophthora kan alleen optreden bij aanwezigheid van infectiebronnen. Hierbij kan worden gedacht aan aardappelafvalhopen, aangetaste knollen in het pootgoed, aardappelopslag, buurpercelen en oösporen in de grond. Goede preventieve maatregelen, zoals het afdekken van afvalhopen met zwart plastic, controle van pootgoed op de aanwezigheid van Phytophthora en het voorkómen en bestrijden van opslag, zijn de eerste stappen waarmee het optreden van de ziekte kan worden tegengegaan.

Rassen. Tussen de aardappelrassen komen zowel betreffende het loof als de knol grote verschillen voor in vatbaarheid voor Phytophthora. Geen enkel ras is volledig resistent. Naarmate de vatbaarheid van het loof geringer is, verloopt de binnendringing moeilijker, groeit de schimmel trager door het blad en worden minder sporen gevormd waardoor de epidemie zich langzamer ontwikkelt. Naarmate de knolresistentie beter is, worden de knollen minder gemakkelijk aangetast. Loof- en knolresistentie zijn lang niet altijd aan elkaar gekoppeld. In de Beschrijvende Rassenlijst voor Landbouwgewassen is voor de schimmel de mate van vatbaarheid in loof en knol aangegeven.

Matige stikstofbemesting. De kans op infectie wordt behalve door het ras ook bepaald door de zwaarte van het loof. Bij veel loof droogt het gewas langzamer op waardoor Phytophthora meer kans krijgt. Een zware stikstofbemesting kan daarom indirect de kans op aantastingen vergroten. Het is dan ook niet wenselijk om meer stikstof te geven dan nodig is om het gewas gedurende het hele seizoen groen te houden. Stikstofdeling waarbij het laatste deel van de gift afhankelijk wordt gesteld van de hoogte van het nitraatgehalte in de bladsteeltjes of in de grond (NBS) kan hierbij een hulpmiddel zijn.

Tijdige loofvernietiging bij een loofaantasting door Phytophthora. Als de grond vochtig is bij het optreden van sporulatie kan knolaantasting plaatsvinden. De sporen kunnen dan namelijk in de grond overleven en door water naar de knollen worden gespoeld. Vooral bij aanhoudend nat weer moet bij vatbare rassen het loof met een snel werkend middel worden vernietigd. Daarbij wordt wel als norm aangehouden een aantastingsniveau waarbij van 20% of meer van de planten één of meer blaadjes is aangetast. Bij rassen met een hoge knolresistentie is de marge iets groter.
Als het loof aan het eind van het groeiseizoen al voor een aanzienlijk deel is afgestorven neemt de opbrengst nauwelijks meer toe, terwijl de kans op aantasting door Phytophthora blijft bestaan. In zulke gevallen is het verstandig om het loof te vernietigen. Hierdoor kan een aantal bespuitingen worden uitgespaard en wordt de kans op de vorming van oösporen verminderd.

De wijze van rooien. Als het loof tijdens het groeiseizoen is aangetast door Phytophthora, kan het best worden gerooid als de grond droog is. Het is belangrijk dat de knollen goed zijn afgehard en dat knolbeschadiging tijdens het rooien zoveel mogelijk wordt vermeden. Bij goed afgeharde knollen zijn er minder wondjes en ontvellingen en dus minder invalspoorten voor de schimmel.
Knolaantasting komt op zandgrond minder voor dan op kleigrond. Dit hangt samen met de levensduur van sporen in vochtige grond, die bij kleigronden wat langer is dan bij zandgronden. Bij kleigrond is dit ongeveer vijf weken en bij zandgrond vier weken. In droge grond sterven de sporen snel af. Door op natte grond in twee fasen te rooien, kan het drogen worden versneld.
Ook tijdens het inschuren moet met drogen worden doorgegaan. Door een aangetaste partij zo snel mogelijk droog te blazen, kan de aantasting worden beperkt. De aangetaste, jongzieke knollen gaan dan niet in natrot over en besmetten geen andere knollen.

Preventieve bespuitingen
Er is een aantal middelen dat, mits tijdig en voldoende vaak toegepast, geheel of in elk geval in belangrijke mate infectie kan voorkomen. Hierbij zijn belangrijke vragen: wanneer moet de eerste bespuiting worden uitgevoerd, wanneer zijn verdere bespuitingen nodig en welke middelen verdienen de voorkeur? Voor het antwoord op deze vragen is het belangrijk te weten of er in het perceel of in de directe omgeving daarvan reeds een Phytophthora-aantasting aanwezig is.

Tijdstip eerste bespuiting
Dikwijls wordt geadviseerd om op vatbare rassen met de eerste bespuiting te beginnen zodra het gewas 20 cm hoog is. Dit is echter niet altijd nodig. Zolang het gewas nog niet is gesloten en daardoor relatief snel opdroogt en de ziekte nog niet in de omgeving aanwezig is, is het risico van besmetting heel klein. Is de ziekte daarentegen al vroeg in de omgeving gesignaleerd dan moet niet worden gewacht tot 20 cm gewashoogte. Voorkómen moet worden dat het gewas al vroeg wordt aangetast en er daardoor het gehele seizoen extra bespuitingen nodig zijn om verdere uitbreiding tegen te gaan! Een betere stelregel is daarom te beginnen met preventieve bespuitingen zodra de ziekte in de omgeving voorkomt en gunstige weersomstandigheden voor sporulatie en infectie voor Phytophthora worden verwacht. Uitstel van de eerste bespuiting is riskanter naarmate de loof vatbaarder is.

Tijdstip vervolgbespuitingen
Of het uitvoeren van een preventieve vervolgbespuiting nodig is, hangt af van het infectiegevaar. Dit gevaar is afhankelijk van de aanwezigheid van de ziekte in de omgeving (in of buiten het perceel), de weersomstandigheden, de mate waarin het gewas nog met een fungicide is bedekt en de vatbaarheid van het ras.
Er wordt dikwijls vanuit gegaan dat een Phytophthoramiddel 7 - 10 dagen na de bespuiting is uitgewerkt. Heeft het na de bespuiting geregend, dan kan het middel versneld zijn afgespoeld. Na een flinke bui van 10 - 15 mm wordt aangenomen dat de bescherming van het loof met één dag is afgenomen. Verder moet rekening worden gehouden met de vorming van nieuwe bladeren, die grotendeels onbeschermd zijn.
Een vervolgbespuiting is niet nodig als de weersomstandigheden voor Phytophthora ongunstig zijn, dus zonnig, droog weer met droge nachten. Zodra echter een weersomslag dreigt, moet weer worden gespoten.
De kans op gunstige omstandigheden voor de schimmel is het grootst in het tweede deel van het groeiseizoen en vooral na half augustus. Als gunstige omstandigheden worden verwacht en het gewas is niet meer voldoende door een fungicide beschermd, dan is een vervolgbespuiting geboden. Bovendien neemt bij bladeren de vatbaarheid toe naarmate ze ouder worden. Belangrijk is dat met de Phytophthorabestrijding wordt doorgegaan tot aan de loofvernietiging. Bij beregenen verdient het de voorkeur kort na het beregenen een bespuiting uit te voeren. Als dit op slecht berijdbare gronden niet mogelijk is dan dient, als de vorige bespuiting vier dagen of langer is geleden, daags voor het beregenen een bespuiting te worden uitgevoerd.

Curatieve bespuitingen
Behalve de chemische middelen die Phytophthora preventief kunnen bestrijden, is er ook een aantal middelen met een min of meer curatieve werking.

Dosering
In het algemeen geldt, dat naarmate de dosering hoger is, het middel wat langer bescherming biedt. Onderzoek heeft echter laten zien dat bij gebruik van goede apparatuur en een juiste spuittechniek, zelfs bij vatbare rassen goede resultaten kunnen worden verkregen met een 25% lagere dosering dan die op het etiket is vermeld. Uit onderzoek is gebleken, dat bij een zelfde spuitfrequentie met nog lagere doseringen kan worden volstaan naarmate het geteelde ras meer veldresistentie bezit.

Waarschuwingssystemen
Er zijn systemen ontwikkeld die waarschuwen wanneer een gevaarlijke periode voor Phytophthora dreigt of heeft plaatsgevonden. Ze maken meestal gebruik van weersgegevens, die op of in de nabijheid van het betreffende perceel zijn verzameld, in combinatie met de weersverwachting en gegevens over de uitgevoerde bespuitingen, het gewasstadium en de Phytophthoradruk in de omgeving van het perceel. Als men volledig op zo'n systeem zou kunnen vertrouwen en als men er zeker van kan zijn dat het betreffende perceel binnen 48 uur na een kritieke periode berijdbaar is om te spuiten, dan kan in principe na zo'n kritieke periode worden gespoten met een middel met curatieve werking.

Rhizoctonia

De veroorzaker van de ziekte die in de praktijk veelal als Rhizoctonia wordt aangeduid is de schimmel Rhizoctonia solani. Het is een schimmel die algemeen in de grond voorkomt.

Aantastingsbeeld
Bij aardappelen komen aantastingen voor van de jonge scheuten, stengels en stolonen die hierdoor volledig kunnen afsterven. Ook kunnen de knollen worden aangetast. Dit kan leiden tot misvormingen en groeischeuren. Daarnaast kunnen de knollen bezet zijn met lakschurft. Lakschurft is de korstvormige bruinzwarte ruststructuur van de schimmel. Vooral na wassen van de knollen is deze goed zichtbaar.
Vanuit deze ruststructuur, maar ook rechtstreeks vanuit de grond, kunnen kiemen en jonge stengels worden aangetast. De aantasting is herkenbaar aan licht- tot donkerbruin gekleurde ingezonken plekken op de ondergrondse stengeldelen, die de stengels helemaal kunnen omringen en doen afsterven. In het veld is een aantasting herkenbaar aan een onregelmatige opkomst, het afsterven (verdrogen) van stengels, "knijpende" bladeren bovenin sommige stengels, misvormde knollen, krielnesten, bovengrondse knollen en soms door een wit schimmelmanchet aan de stengelbasis. Sterft een beperkt aantal stolonen af dan is een verminderd knoltal het gevolg. Als gevolg van een groot aantal vertakkingen van aangetaste stolonen kan aan het grondoppervlak of daar juist onder zogenaamde krielnesten ontstaan Als knollen worden aangetast, wordt de groei soms op de plaats van de aantasting geremd, waardoor misvormingen kunnen ontstaan die op groeischeuren lijken.

Voorkomen en bestrijden
De schade door Rhizoctonia uit zich bij consumptieaardappelen in een lagere opbrengst, krielnesten (bron van aardappelopslag), misvormde knollen en een doorgaans wat grovere sortering.
Zowel door teeltmaatregelen als door knolontsmetting met chemische middelen is het mogelijk de schade door Rhizoctonia te beperken:

  • Rotatie en grondsoort. Naarmate vaker aardappelen worden geteeld, is de kans op schade vanuit de grond groter. Bij een teeltfrequentie van eens per vier of meer jaren is de directe schade aan het gewas vanuit de grond doorgaans beperkt. De kans op schade is op zandgrond groter dan op kleigrond.
  • Voorvrucht. Op kleigronden blijkt de voorvrucht gras of graszaad een Rhizoctonia-aantasting te bevorderen. Ook van stro wordt gezegd dat het Rhizoctonia bevordert. Er zijn echter ook publicaties waarin het tegendeel wordt aangetoond.
  • Voorkiemen, pootdatum en rugopbouw. Met de vorming van bladgroen neemt de vatbaarheid voor Rhizoctonia snel af. Daarom is het van belang dat het gewas snel bovenkomt. Dit kan worden gestimuleerd door het pootgoed voor te kiemen, door niet te vroeg te poten en door niet direct vroeg in het voorjaar een grote rug op te bouwen.
  • Rasverschillen. Er zijn verschillen in tolerantie tussen de rassen. Dit heeft evenwel nog niet tot duidelijke behandelingsadviezen voor rassen geleid. Wel kan worden gesteld dat het bij een ras dat van nature weinig stengels maakt en erg grof groeit, belangrijker is aantasting te voorkomen dan bij een ras dat veel stengels en knollen vormt.
  • Lakschurftbezetting pootgoed en vitaliteit van de sclerotiën. Naarmate het pootgoed meer is bezet met sclerotiën van lakschurft is de kans op schade aan het gewas groter. De sclerotiën kunnen in vitaliteit verschillen als gevolg van de activiteit van natuurlijke antagonisten die in de grond voorkomen en Rhizoctonia doden. Met behulp van een laboratoriumtest is het mogelijk de vitaliteit van sclerotiën vast te stellen.
  • Knolbehandeling. De schade door Rhizoctonia kan ook worden beperkt door het pootgoed met fungiciden te behandelen. Over het algemeen wordt er echter van uitgegaan, dat een knolbehandeling niet nodig is als niet meer dan 25% van de, niet gewassen, knollen licht met sclerotiën is bezet.

Gewone schurft

Dit is een bekende ziekte die de opbrengst niet beïnvloedt, maar algemeen op de knollen voorkomt. De schade bij consumptieaardappelen bestaat bij zware aantasting vooral uit het onooglijk worden van de knollen en naarmate de aantasting dieper in de knol doordringt, uit grotere sorteer- en schilverliezen. Aangetaste knollen drogen tijdens de bewaring sterker uit. De ziekte wordt veroorzaakt door Streptomyces scabies en andere Streptomyces-soorten. Deze komen algemeen in de bodem voor.
Het ziektebeeld kan afhankelijk van de Streptomyces-soort en het aardappelras sterk uiteenlopen. Men onderscheidt daarom wel oppervlakkige en diepe of pokschurft. Deze ziektebeelden komen soms op dezelfde knol voor en gaan in elkaar over. Een groot probleem hierbij is dat poederschurft en gewone schurft vaak gelijktijdig voorkomen en vergelijkbare symptomen kunnen veroorzaken, waardoor de ziektes gemakkelijk worden verward.
Het optreden van gewone schurft wordt in sterke mate beïnvloed door het weer en de bodemgesteldheid. Droogte en warmte bevorderen het optreden van schurft. Ook een hoge pH van de grond en op zandgronden een bemesting met kalk bevorderen het optreden. Gewone schurft kan met pootgoed overgaan maar dit speelt in het algemeen geen grote rol. Belangrijk is vooral de mate waarin Streptomyces-soorten in de grond voorkomen.

Voorkomen en bestrijden

  • Beregening. Alleen het schilweefsel van jonge knollen is vatbaar voor aantasting door gewone schurft. Gewone schurft geeft alleen aantasting onder droge omstandigheden. Een aantasting kan dan ook grotendeels worden voorkomen door de grond gedurende de eerste drie weken na het begin van knolaanleg vochtig te houden. De knolaanleg komt meestal twee tot drie weken na opkomst op gang.
  • Bekalking/verzuring. Streptomyces scabies groeit optimaal bij een pH van 6,5 tot 8. Daarom moet met name op zandgronden de pH niet te hoog worden. Op deze gronden is het mogelijk de pH te verlagen door gebruik te maken van zure meststoffen zoals zwavelzure en vloeibare ammoniak. Het effect van een lage pH is evenwel vaak niet afdoende. Als een bekalking nodig is, met het oog op de verbouw van andere gewassen dan aardappel, dan is het in verband met schurft beter dit niet direct voor de aardappelteelt te doen. Bekalking kort voor het rooien van de aardappelen kan wel. Het heeft dan geen invloed meer op de schurftaantasting van dit gewas maar de kalk wordt bij het rooien wel goed door de grond verdeeld. Op klei- en zavelgronden is met beïnvloeding van de pH weinig te bereiken.
  • Rasverschillen. Tussen aardappelrassen zijn er vrij grote verschillen in de mate waarin aantasting plaatsvindt (Rassenlijst). Op schurftgevoelige percelen teelt men bij voorkeur minder vatbare rassen.

Netschurft

Netschurft, ook wel graslandschurft genoemd, komt vaak voor op pas gescheurd grasland maar kan ook op oud bouwland voorkomen en wordt zowel aangetroffen op zandgrond met een vrij lage pH als op kleigrond met een hoge pH. Slechts enkele rassen zijn vatbaar voor netschurft. Erg vatbaar is onder andere het veel geteelde ras Bintje. Netschurft wordt door verschillende Streptomyces-soorten veroorzaakt.
Anders dan bij gewone schurft tast netschurft alle ondergrondse delen van de plant aan. Vooral de aantasting van de wortels - deze worden bruin, de fijne haarwortels rotten weg - remt aanvankelijk de ontwikkeling van de plant. Een aangetast gewas kan zich in de loop van het groeiseizoen enigszins herstellen van de aanvankelijke groeivertraging. Een ernstige aantasting kan een forse opbrengstderving en soms zelfs een misgewas tot gevolg hebben. Daarbij kunnen doorwasachtige verschijnselen optreden. Anders dan bij gewone schurft blijft bij deze ziekte de knolaantasting oppervlakkig. Jonge aangetaste knollen vertonen bruine vlekken. Deze bruine vlekken krijgen later een typisch netvormige structuur, waarbij vaak ook groeischeuren ontstaan. Vooral als de grond vroeg in het seizoen nat is, kan de aantasting zeer ernstig zijn.

Voorkomen en bestrijden
Niet of zo min mogelijk beregenen in het begin van het groeiseizoen. Een ruime vruchtwisseling toepassen, maximaal eens per vier jaar aardappelen. Op zwaar met netschurft besmette percelen is vervanging van een vatbaar ras zoals Bintje, Désirée, Climax, Eba en Edzina door een niet-vatbaar ras zeer effectief.

Poederschurft

Poederschurft wordt veroorzaakt door het organisme Spongospora subterranea. Deze tast de ondergrondse delen van de aardappelplant aan. De ziekte komt vooral voor op zand- en dalgrond maar kan ook op kleigronden voorkomen en komt veel meer voor dan in het algemeen wordt aangenomen. Zichtbare symptomen in het veld zijn kleine, lichtgekleurde wratjes van 2-10 mm op de wortels. De aantasting op de knollen begint met kleine lichtgekleurde pukkels. Deze groeien uit tot pokken van 0,5 tot 1 cm in doorsnede. Later kleuren deze donkerbruin. In eerste instantie ligt de huid van de knol als een vlies over de pokken heen. Later barst dit vliesjopen en komt er bruinzwart poeder, de sporenballen, naar buiten. De pok blijft als een openstaand vliesje achter. Dit is een typisch kenmerk van poederschurft. De aantasting ligt vaak als een gordel om de knollen. Op de knollen is de ziekte vaak moeilijk van gewone schurft te onderscheiden. Een duidelijk verschil is echter dat gewone schurft alleen direct na knolaanleg ontstaat en dat poederschurft ook later tijdens de knolgroei kan ontstaan of zich zelfs tijdens de bewaring nog kan ontwikkelen.
De ziekte treedt heviger op onder koele en vochtige omstandigheden. In natte jaren en bij beregenen is de aantasting daarom groter. Naast de aardappel zijn ook zwarte nachtschade en tomaat waardplant voor poederschurft. De ziekte gaat met het pootgoed over maar kan ook tenminste 6 jaar in de grond overleven.

Voorkomen/bestrijden
Onbesmet pootgoed gebruiken, een ruime vruchtwisseling, een goede bodemstructuur, een goede ontwatering en voorzichtigheid bij het beregenen beperken de aantasting. Dat wil zeggen dat een vochtige grond geen probleem is maar voorkomen moet worden dat de grond langere tijd erg nat is of verslempt. Een beregenintensiteit van ? 10 mm/uur beperkt de kans op verslemping. Gebruik geen organische mest van dieren die met besmette aardappelen zijn gevoerd. Er zijn duidelijk rasverschillen, maar van de Nederlandse rassen is hiervan geen goed overzicht beschikbaar. Wel is duidelijk dat de Nederlandse rassen in het algemeen vrij vatbaar zijn voor poederschurft. Een methode om poederschurft chemisch te bestrijden is ondanks veel onderzoek niet voorhanden.

Wratziekte

Wratziekte vormt een bedreiging voor de aardappelteelt, maar ook voor de teelt van voortkwekings-materiaal voor boomteelt en bloembollen. Verschillende landen eisen een ziektevrije status van het bedrijf of het gebied van herkomst. Wratziekte wordt veroorzaakt door het organisme Synchytrium endobioticum. Wratziekte vormt wratten op alle delen van de aardappel, behalve op de wortels. Wratziekte is een ziekte die vooral voorkomt in koele en neerslagrijke klimaatsgebieden met jaarlijks meer dan 700 mm neerslag en met een voldoende lange winter met temperaturen onder de 5°C. Van deze ziekteverwekker komt in Europa een groot aantal fysio's voor waarvan er - voor zover bekend - twee in Nederland voorkomen.

Aantastingsbeeld
De veroorzaker van wratziekte verandert zowel ondergronds als bovengronds stengeldelen (stolonen, knollen, stengels en blad) in wratachtige woekeringen. Ondergrondse stengeldelen veranderen in bloemkoolachtige structuren die licht gekleurd zijn of groen kleuren als ze bovengronds geraken. Bij aantasting van bovengrondse stengeldelen en blaadjes blijft de oorspronkelijke structuur meestal beter herkenbaar. Na verloop van tijd worden deze wratten bruin tot zwart en vallen uiteindelijk als een donkere (sporen)massa uiteen.
De schimmel tast knollen aan via lenticellen en ogen, die naar het lijkt uit hun rust worden gehaald en zich woekerend tot wratten ontwikkelen, waarvan de grootte mede wordt bepaald door de mate van resistentie van het ras. De grootte van de wratten kan in doorsnede variëren van enkele mm's tot meer dan de omvang van de oorspronkelijke knol.

Voorkomen/bestrijden
De dikwandige wintersporangiën zijn zeer persistent en kunnen in de grond tientallen jaren infectieus blijven. Daardoor heeft vruchtwisseling weinig of geen effect op de beheersbaarheid van de ziekte. Controle van dit quarantaine-organisme heeft plaats door uitsluiting van de teelt van gevoelige rassen in gebieden rond besmet bevonden percelen en door het gebruik van resistente rassen.

Fusarium-droogrot

Fusarium-droogrot is een typische bewaarziekte. Meerdere Fusariumsoorten kunnen droogrot veroorzaken. De twee belangrijkste zijn Fusarium sulphureum en de iets minder agressieve Fusarium solani var. coeruleum. Beide soorten komen algemeen voor op zowel het pootgoed als in de grond. Het zijn wondparasieten. De verwondingen die ontstaan bij bewerkingen, zoals rooien, sorteren en poten (huidbeschadiging, afgebroken kiemen), zijn invalspoorten voor de schimmel. Maar ook beschadigingen veroorzaakt door ziekten zoals Phytophthora en poederschurft en aantasting door aaltjes en insecten bieden Fusarium een kans om de knol binnen te dringen. Tussen aardappelrassen bestaan duidelijke verschillen in vatbaarheid, waarbij een ras resistent kan zijn voor de ene Fusariumsoort en vatbaar voor de andere. De vatbaarheid van de knollen voor Fusarium solani var. coeruleum neemt toe naarmate de aardappelen langer worden bewaard. Aantastingen door deze soort manifesteren zich dan ook meestal pas later in het bewaarseizoen. Aantasting door F. sulphureum kan echter al binnen enkele weken na het rooien zichtbaar worden.
Aangetaste knollen vertonen uitwendig iets ingezonken plekken, waarop talrijke witroze schimmelkussentjes kunnen voorkomen. Door het ter plaatse ineenschrompelen van de schil kunnen min of meer concentrische ringen ontstaan.

Voorkomen en bestrijden
In de eerste plaats moet knolbeschadiging bij het rooien en sorteren zoveel mogelijk worden voorkomen. Daartoe moeten de knollen bij het rooien voldoende zijn afgehard en moet voorzichtig worden gerooid. Hierbij moeten rijsnelheid en valhoogte zo goed mogelijk aan de omstandigheden worden aangepast. Direct na het oogsten moet worden gezorgd voor een goede wondheling. Als ontstane wondjes niet vlot helen, kan de ziekte zich snel uitbreiden. De aardappelen moeten verder koel en droog worden bewaard.
Wanneer bij controle in de herfst reeds Fusarium van betekenis wordt aangetroffen, verdient het de voorkeur deze partij niet langer te bewaren.

Phoma of gangreen

Phoma exigua var. foveata veroorzaakt bij aardappelen een knolziekte die als gangreen of Phoma bekend staat. Het is een droogrot. Ernstige aantasting kan partijen aardappelen volledig doen wegrotten. In het algemeen doen zich in Nederland niet zoveel problemen voor met Phoma. Phoma is een koudeminnende schimmel, die vooral optreedt als relatief laat wordt gerooid en de knollen flink worden beschadigd. De ziekte kan met het pootgoed overgaan maar kan ook in de grond overblijven en van daaruit de plant aantasten. Phoma zorgt voor een donkergekleurd droogrot dat op het oog moeilijk is te onderscheiden van Fusarium sulphureum. Tussen de aardappelrassen komen opvallende verschillen in vatbaarheid voor.

Voorkomen en bestrijden
In gebieden of op bedrijven waar problemen met Phoma voorkomen, verdient de teelt van weinig vatbare rassen de voorkeur. Weinig vatbare consumptierassen zijn onder andere Doré, Eigenheimer, Irene, Marijke, Saturna en Ukama.
Het poten van partijen waarin Phoma-rotte knollen voorkomen, is ongewenst. Rotte knollen moeten in elk geval voor het poten worden verwijderd.
Evenals bij Fusarium moet knolbeschadiging bij het rooien en sorteren zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarom moeten de knollen bij het rooien voldoende zijn afgehard en moet voorzichtig en bij voldoende hoge temperaturen, bij voorkeur niet beneden de 10 °C, worden gerooid. Na het rooien of sorteren moet een wondhelingsperiode in acht worden genomen alvorens te koelen. Bij een bewaartemperatuur van 8 °C en hoger breidt de schimmel zich nauwelijks uit.

Roodrot

Roodrot wordt veroorzaakt door de schimmel Phytophthora erythroseptica. Deze schimmel komt algemeen in alle gronden voor. Roodrot gaat niet met het pootgoed over. De ziekte treedt vooral op bij een combinatie van hoge temperaturen, structuurproblemen en regen of beregening. Roodrot is een erg vochtig en zich snel ontwikkelend rot dat zijn naam dankt aan het feit dat aangetast weefsel na doorsnijden van de knol in de loop van enkele minuten roze tot rood kleurt. Typisch voor roodrot is dat aangetaste knollen rubberachtig aanvoelen en lekken als men erin knijpt.

Voorkomen en bestrijden
Een goede structuur en goede ontwateringstoestand van de grond, zodat overmatige neerslag snel kan worden afgevoerd, gaat het optreden van deze ziekte tegen. Als de ziekte bij het rooien wordt geconstateerd, dienen de aardappelen zo snel mogelijk te worden drooggeblazen. Aardappelen afkomstig van natte plekken moeten apart worden opgeslagen. Aangetaste partijen moeten snel worden geruimd.

Verticillium of verwelkingsziekte

Verwelkingsziekte bij aardappelen wordt vooral veroorzaakt door de schimmel Verticillium dahliae. De ziekte wordt gekenmerkt door een vervroegd afsterven van het gewas. Omdat dit soms oploopt tot vier à zes weken voor het normale tijdstip van afsterven kan een aanzienlijke opbrengstreductie het gevolg zijn. De schade wordt bevorderd door stressfactoren zoals hitte, droogte, waterovermaat en een te gering aanbod van stikstof. Aaltjes, zoals aardappelcysteaaltje, wortelknobbelaaltje en wortellesieaaltje bevorderen de infectie met Verticillium dahliae. De meest kenmerkende symptomen voor deze ziekte zijn de eenzijdige bladverkleuring tijdens het afsterven van de bladeren en de loodgrijze kleur van de afgestorven stengels. De schimmel heeft een uitgebreide waardplantenreeks en kan in de vorm van microsclerotiën ten minste zes jaar in de grond overblijven.

Voorkomen en bestrijden
Er zijn verschillen in tolerantie tussen rassen. Onder andere het ras Bintje is gevoelig voor schade. Op besmette grond kan schade worden beperkt door een evenwichtige bemesting en voldoende vocht gedurende het gehele groeiseizoen. Bepaalde voorvruchten, zoals veldbonen, droge erwten en blauwmaanzaad, zorgen voor meer infectiemateriaal in de grond dan andere. Daarom dienen dergelijke gewassen als directe voorvrucht te worden vermeden.

Sclerotinia of rattekeutelziekte

Sclerotinia wordt veroorzaakt door de schimmel Sclerotinia sclerotiorum, een schimmel die veel gewassen, zoals erwten, bonen, witlof, peen en aardappelen, in min of meer ernstige mate kan aantasten. In bouwplannen waarin deze gewassen vooral voorkomen, leidt Sclerotinia soms tot economische schade in aardappelen.
De schade bestaat uit een vervroegd afsterven van aangetaste stengels. In deze stengels kunnen de sclerotiën worden aangetroffen. Deze sclerotiën, in de volksmond rattekeutels genoemd, kunnen jarenlang in de grond overblijven. Ook de knollen kunnen worden aangetast. Dit komt echter niet vaak voor.
Vervanging van granen door groentegewassen kan er de oorzaak van zijn dat Sclerotinia de laatste jaren meer optreedt.

Voorkomen en bestrijden
Een bouwplan met veel gramineeën gaat het optreden van de ziekte tegen. Chemische bestrijding van de ziekte in het veld is mogelijk, maar duur en niet altijd lonend.

Zilverschurft

Zilverschurft is een knolziekte die wordt veroorzaakt door de schimmel Helminthosporium solani. Zilverschurft komt algemeen op aardappelknollen voor. Op de knollen ontstaan zilvergrijze vlekken; de schil wordt poreus. Bij ernstige aantasting worden de knollen slap en rimpelig als gevolg van extra vochtverlies. Ook kiemen ernstig aangetaste knollen minder goed, waardoor het aantal stengels per knol vermindert. Zilverschurft is vooral bij pootaardappelen een probleem. Bij consumptieaardappelen speelt het vooral in de tafelaardappelsector. Het heeft een negatief effect op de presentatie van het product en toont zich het duidelijkst bij de roodschillige rassen. Doordat de meeste tafelaardappelen voor het verpakken worden gewassen, is zilverschurft goed zichtbaar. Wanneer de aardappelen voor het verpakken niet goed worden gedroogd, kan het wassen de aantasting bovendien verergeren. Sterke uitdroging door zilverschurft ontstaat pas na langere tijd. De ziekte wordt overgebracht via het pootgoed en misschien in geringe mate via de grond. De besmetting van de dochterknollen vindt in de grond plaats. Bij de oogst is de aantasting veelal nog nauwelijks waarneembaar, behalve soms na een warm of een lang groeiseizoen. Deze ziekte veroorzaakt geen symptomen in het loof. Verwarring met zwarte spikkel is mogelijk. Zilverschurft kan zich onder vochtige, warme omstandigheden tijdens de bewaring sterk uitbreiden. Bij bewaartemperaturen van 3°C of lager en een relatieve luchtvochtigheid van 85% en lager treedt tijdens de bewaring geen uitbreiding op. Voor deze schimmel zijn geen andere waardplanten bekend.

Voorkomen/bestrijden
Belangrijk ter voorkoming van zilverschurft is dat aardappelen na inschuren direct droog worden geblazen en vervolgens droog worden gehouden. De droging verloopt uiteraard sneller naarmate de aardappelen droger en met minder grond in de bewaarplaats worden gebracht. Het oogsten in twee fasen kan dan ook gunstig zijn. Zodra de wondheling achter de rug is kunnen tafelaardappelen worden teruggekoeld naar temperaturen tussen de 4 en 6°C. Eventuele uitbreiding van zilverschurft verloopt dan veel trager dan bij hogere temperatuur. Een dergelijke snelle afkoeling is echter voor aardappelen voor de verwerkende industrie niet mogelijk. In deze laatste categorie aardappelen speelt zilverschurft echter geen grote rol.
Aardappelen kunnen bij de oogst worden behandeld met een middel tegen zilverschurft dat ook werkt tegen Fusarium en Phoma-droogrot. Voor een doelmatige behandeling zijn middelen nodig, die imazalil bevatten. Voor een doelmatige behandeling moet de apparatuur - tegenwoordig meestal schijfvernevelaars - zo zijn afgesteld dat de hele knol met middel wordt bedekt.
In de praktijk is gebleken, dat als men erin slaagt om de partij binnen één week te drogen het als regel niet nodig is om bij het inschuren een chemische behandeling toe te passen. Ook is een chemische behandeling weinig effectief als de knollen sterk met grond zijn behangen. Men kan zich dan beter richten op een snelle droging, desnoods met gebruikmaking van verwarmde lucht. Een chemische behandeling tegen zilverschurft kan ook nog worden uitgevoerd na het sorteren.

Bacterieziekten

De bacterieziekten die in Nederland aardappelplanten aantasten zijn stengelnatrot en zwartbenigheid en bruinrot. Daarnaast vormt - vanwege de aanwezigheid in naburige West-Europese landen - ringrot een bedreiging.

Zwartbenigheid en stengelnatrot

Zwartbenigheid en stengelnatrot worden veroorzaakt door Erwinia carotovora var. atroseptica respectievelijk Erwinia chrysanthemi. Kenmerkend bij aantasting door Erwiniabacterien is een slijmerig, stinkend rot. Bij zwartbenigheid bevindt zich dit aan de stengelbasis, bij stengelnatrot als regel hoger aan de stengel. Beide ziekten kunnen in de knollen natrot veroorzaken. Natrot treedt ook vaak secundair op, bijvoorbeeld na een Phytophthora-aantasting van de knollen, na bevriezen, wateroverlast en dergelijke. Dit secundair natrot kan behalve door Erwiniasoorten ook worden veroorzaakt door andere soorten bacteriën en door schimmels van het geslacht Pythium.
In ons land treedt in consumptieaardappelen slechts zelden schade van betekenis op als gevolg van bacterieziekten.

Voorkomen en bestrijden
Bacterieziekten kunnen alleen indirect worden bestreden. Zwartbenigheid en stengelnatrot gaan met het pootgoed over. Daarom is het van groot belang om gezond pootgoed te gebruiken. Het snijden van pootgoed waarin natrotte knollen voorkomen, is in verband met de verspreiding van bacterieziekten een riskante bezigheid. Voorts zijn van belang: een goede structuur en goede ontwateringstoestand van de grond, het voorkómen dat knollen nat regenen bij het rooien en de bewaring onder droge en koele omstandigheden. Rotte knollen moeten in een zo vroeg mogelijk stadium worden verwijderd om versmering tegen te gaan en ook moeten beschadigingen, overmatig vocht en hoge temperaturen tijdens de bewaring worden vermeden om het optreden en de uitbreiding van bacterieziekten te beperken.

Bruinrot

Bruinrot wordt veroorzaakt door de bacterie Ralstonia solanacearum. Deze bacterieziekte, die in 1995 voor het eerst op tamelijk grote schaal in Nederland is aangetroffen, wordt tot de quarantaineziekten gerekend. Bruinrot komt vooral voor in warmere gebieden, met name in de tropen, maar op beperkte schaal ook in een aantal Europese landen. In Europa hebben we te maken met ras 3, welke ook bij lagere temperaturen kan gedijen.

Symptomen
In het veld uit bruinrot zich door een plotselinge verwelking van de bladeren van soms slechts een enkele stengel. Later sterft de gehele plant af. Vóór verwelking zijn de bladeren soms bleekgroen of geelachtig gekleurd. Als aangetaste stengels bij de basis worden afgesneden komt er bacterieslijm uit het vaatweefsel, hetgeen duidelijk zichtbaar is als men een dergelijke stengel in een glas water houdt. Zowel planten als knollen van aangetaste planten zijn soms alleen latent besmet en vertonen dan geen symptomen. De ziekte is mede daardoor lastig te bestrijden. De eerste knolsymptomen zijn na doorsnijden zichtbaar als een bruine verkleuring van de vaatbundelring. In een verder gevorderd stadium van aantasting ontwikkelen zich in de vaatbundelring grijs-witte druppeltjes bacterieslijm op het snijvlak. Ook kan er dan bacterieslijm uit de ogen komen, waaraan dan dikwijls grond plakt, zogenaamde vuile ogen. Als gevolg van aantasting door secundaire organismen kan de gehele knol wegrotten.

Epidemiologie
Bruinrot verspreidt zich vooral langs twee wegen: via pootgoed en via besmet water waarmee het aardappelgewas wordt beregend of bespoten. Behalve op aardappel kan de bruinrotbacterie zich ook op andere Solanumsoorten, zoals tomaat, zwarte nachtschade en bitterzoet, in stand houden en vermeerderen. Vermeerdering op niet-Solanaceae is tot nu toe in Nederland alleen vastgesteld bij de grote brandnetel. In de literatuur worden echter nog een heleboel andere plantensoorten genoemd waarop dit mogelijk zou zijn.
Het al eerder genoemde bitterzoet vervult een belangrijke rol bij de instandhouding en verspreiding van deze ziekte. Besmette bitterzoetplanten, die met hun wortels in het water staan, kunnen aan het water grote aantallen bacteriën afgeven, waardoor het water met bruirotbacteriën wordt besmet. Besmette bitterzoetplanten vertonen slechts bij uitzondering verwelkingsverschijnselen. Behalve in water, kan ras 3 van R. solanacearum soms ook enige tijd in grond overleven. Onderzoek in ons land heeft aangetoond dat bruinrot na een flinke vorstperiode niet meer in grond kon worden aangetoond, maar na een zachte winter bleek de bacterie plaatselijk wel tenminste een jaar in grond te kunnen overleven. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat bruinrotbacteriën bij een bodemtemperatuur van 4ºC na 4 weken niet meer aantoonbaar aanwezig waren.

Voorkomen en bestrijden
Bruinrot kan niet chemisch worden bestreden. Ook komt er geen resistentie van betekenis voor in gekweekte aardappelrassen. Daarom moet de bestrijding zich concentreren op het voorkómen van een besmetting. Daartoe is het in de eerste plaats van belang om gezond gecertificeerd pootgoed te gebruiken. Daarnaast moet het beregenen of spuiten met oppervlaktewater worden vermeden. In door de Plantenziektenkundige Dienst aangewezen zogenaamde verbodsgebieden is het gebruik van oppervlaktewater voor beregening of bespuiting zelfs verboden. Echter ook voor bedrijven die in de omgeving van verbodsgebieden liggen is het gebruik van oppervlaktewater sterk af te raden. Verder is strikte bedrijfshygiëne geboden. Dat houdt onder meer in dat alleen schone machines op het bedrijf moeten worden toegelaten, dat sorteermachines voor pootaardappelen en fust worden gereinigd en ontsmet als zij zijn gebruikt voor bedrijfsvreemde aardappelen en dat veel aandacht wordt besteed aan opslagbestrijding.

Ringrot

Ringrot, veroorzaakt door de bacterie Clavibacter michiganensis ssp. Sepedonicus, is de meest gevreesde bacterieziekte in aardappelen. Deze quarantaineziekte wordt in Nederland incidenteel waargenomen. In Duitsland en in enkele Scandinavische landen wordt de ziekte regelmatig gesignaleerd.

Symptomen
In het veld zijn de eerste symptomen van ringrot pas zichtbaar in de tweede helft van het groeiseizoen. De onderste bladeren van één of meer stengels van een plant verwelken, waarbij de zijkanten van de blaadjes oprollen en een geelkleuring tussen de nerven vertonen. Bij warm weer kunnen aangetaste stengels snel verdrogen. Na het doorsnijden van aangetaste knollen laat de vaatbundelring een crèmekleurig rot zien, waaruit alleen na samenknijpen van de knol roomkleurig bacterieslijm komt. (Bij bruinrot ontwikkelen zich zonder knijpen druppeltjes bacterieslijm op het snijvlak).

Epidemiologie
Ringrot tast, behalve de aardappel, ook enkele andere Solanumsoorten aan, zoals tomaat. De ziekte verspreidt zich vooral via knollen. Besmetting met de ringrotbacterie vindt plaats via wonden na aanraking met besmette werktuigen, besmet fust of in bewaarplaatsen waar de bacterie is achtergebleven. Op deze materialen kan de ringrotbacterie tenminste een jaar overleven in opgedroogd bacterieslijm. De bacterie overleeft niet in grond. De optimumtemperatuur voor de ontwikkeling van de ziekte ligt rond de 25°C.

Voorkomen en bestrijden
Bestrijding van ringrot is feitelijk alleen mogelijk door middel van preventieve maatregelen om besmetting te voorkomen. Dat betekent goedgekeurd, gezond pootgoed van een bekende herkomst gebruiken. Pootgoed uit landen waar ringrot voorkomt houdt extra risico's in en moet op ringrot zijn getoetst. Er zijn rassen met meer of minder resistentie tegen ringrot, maar geen enkel ras is immuun tegen deze ziekte.

Virusziekten

Een virus is een microscopisch kleine ziekteverwekker. Het heeft geen eigen stofwisseling maar kan wel de stofwisseling van aardappelen beïnvloeden, met als gevolg dat aardappelen minder goed groeien en de opbrengst lager blijft. Virussen zijn bovendien besmettelijk dat wil zeggen dat ze van zieke op gezonde planten kunnen worden overgebracht. Om de opbrengst van aardappelen op peil te houden, is daarom gezond pootgoed van groot belang.

Soorten en verspreiding
De belangrijkste in Nederland voorkomende virussen zijn: Y-virussen (Yn, Yo, Yc) en bladrolvirus. Minder belangrijke zijn onder andere A- , X- en S-virus en het tabaksratelvirus.
Virussen kunnen op verschillende wijzen worden verspreid:

  • Door contact tussen zieke en gezonde plantedelen, zoals bij X- en S-virus het geval is.
  • Door nematoden. Het tabaksratelvirus, dat in Nederland op lichte zand- en zavelgronden voor kan komen, kan door aaltjes van de geslachten Trichodorus en Paratrichodorus van plant op plant worden overgebracht. Ratelvirus veroorzaakt stengelbont in het loof en kringerigheid in de knollen.
  • Door bladluizen. Y-virussen en A-virus worden vooral, en bladrolvirus uitsluitend door bladluizen overgebracht.

Symptomen
De mate waarin de symptomen van een virusaantasting zichtbaar zijn, is afhankelijk van: het soort virus waarmee de plant is besmet, de mate waarin de plant is besmet, het aardappelras, het type aantasting, primair dan wel secundair en van de voedingstoestand van het gewas.
Een secundaire aantasting, dat wil zeggen een aantasting vanuit een aangetaste poter, is bij bladrol vaak zichtbaar aan het rollen van vooral de onderste bladeren en het achterblijven in groei.
Bij de andere virusziekten blijkt een aantasting uit min of meer zichtbare vlekjes op de bladeren, vaak als "bont" aangeduid, en eveneens uit achterblijven in groei. Secundair aangetaste planten blijven duidelijker achter in groei en produceren minder dan primair aangetaste planten. Tussen de verschillende aardappelrassen zijn er grote verschillen in vatbaarheid voor virusziekten. Zie voor het vatbaarheidscijfer van de belangrijkste virusziekten de Rassenlijst. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit een zeer globaal gemiddelde is, omdat het ene ras met heviger symptomen reageert dan het andere en ook de groeiomstandigheden van het gewas een rol spelen. Naarmate de groeiomstandigheden gunstiger zijn, is de schade als gevolg van een aantasting door virusziekten minder groot.

Voorkomen en bestrijden
Virusziekten kunnen niet worden bestreden. Problemen met virusziekten kunnen wel worden voorkómen door het gebruik van gezond, NAK-gekeurd, pootgoed. Als het pootgoed in meer of mindere mate besmet is met virusziekten dan is het extra van belang om te zorgen voor gunstige groeiomstandigheden voor het gewas: een goede structuur en bemestingstoestand van de grond en voldoende vocht.

Dierlijke schadeveroorzakers

Aardappelcysteaaltjes

Aardappelcysteaaltjes vormen een gevaar voor de aardappelteelt omdat ze door beschadiging van de wortels de opbrengst negatief beïnvloeden en zelfs valplekken, perceelsgedeelten met sterk in groei achterblijvende planten, kunnen veroorzaken. Is de grond eenmaal besmet met aardappelcysteaaltjes dan is het door aardappelmoeheidsresistente rassen (AM-rassen) te telen respectievelijk grondontsmetting wel mogelijk het aantal aaltjes terug te dringen maar helemaal vrij van aardappelcysteaaltjes wordt de grond niet meer.
Tenslotte vormt besmetting van de grond met aardappelcysteaaltjes een bedreiging voor de export van plantmateriaal van dat perceel en, vooral bij stuifgevoelige grond, een bedreiging voor omliggende percelen.
Aardappelcysteaaltjes kennen slechts enkele waardplanten. Naast de aardappel zijn dat de tomaat en de aubergine. Typerend voor cysteaaltjes is dat ze cysten vormen. De afgestorven vrouwtjes met daarin eieren en larven worden cysten genoemd. Een cyste kan meer dan 100 eieren en larven bevatten. De cyste geeft een goede bescherming waardoor eieren en larven vele jaren in de grond kunnen overleven.
Nadat aardappelen beginnen te groeien en de bodemtemperatuur boven de 10 °C komt, worden de aaltjes gelokt. Ze gaan naar aardappelwortels, dringen binnen, voeden en vermeerderen zich. Per jaar (per teelt) wordt één nieuwe generatie gevormd. Bij voldoende hoge temperaturen kunnen de eerste volwassen vrouwtjes (cysten) al begin juni op de wortels zichtbaar zijn. Er zijn twee soorten aardappelcysteaaltjes: Globodera rostochiënsis en Globodera pallida, soms afgekort tot Ro en Pa. Binnen deze soorten zijn er ook nog verschillende pathotypen. Soorten en pathotypen verschillen in vermogen zich te vermeerderen op rassen met een bepaalde resistentie. Beide soorten veroorzaken hetzelfde aantastingsbeeld.
Van G. rostochiensis worden in Nederland twee groepen pathotypen onderscheiden: A (Ro-1,4) en BC (Ro-2,3) en van G. pallida twee pathotypen: D (Pa-2) en E (Pa-3). A is het pathotype aardappelcysteaaltje dat in Nederland het meest voorkomt. De meeste AM-rassen zijn resistent tegen Ro-1 en Ro-4. Het aantal rassen met resistentie tegen G. pallida is nog gering.
De resistentie tegen pathotype A van G. rostochiensis is gebaseerd op één gen en werkt absoluut. Voor de pathotypen D en E van G. pallida is de resistentie ingewikkelder. Deze is gebaseerd op twee of meer genen en niet absoluut. We spreken van partiële resistentie. Dat wil zeggen dat op een bepaald ras nog wel vrouwtjes volwassen worden en eieren produceren, maar veel minder dan bij een vatbaar ras. Hoeveel vermeerdering op een G. pallida-resistent ras optreedt hangt af van de mate van resistentie voor de betreffende populatie. In de praktijk hebben we te maken met een groot aantal in virulentie (agressiviteit) verschillende populaties. Daarom kan het voorkomen dat een ras de ene G. pallida-populatie echt bestrijdt, terwijl een andere populatie zich in een bepaalde mate op datzelfde ras kan vermeerderen. Het benoemen van een G. pallida-populatie als pathotype D of E is daarom niet goed mogelijk.
Besmettingen komen vaak in haarden voor. De machinale verplaatsing van grond en cysten bepaalt de vorm van besmettingshaarden. De verspreiding van cysten vindt voornamelijk plaats in de lengterichting (de bewerkingsrichting) van het perceel.

Voorkomen en bestrijden
Wettelijke maatregelen - Voor de bestrijding van aardappelmoeheid geldt met ingang van 1993 nog slechts de regel dat aardappelen niet vaker dan eens per drie jaar op hetzelfde perceel mogen worden geteeld. Ten aanzien van de chemische bestrijding van aardappelmoeheid geldt de regulering grondontsmetting. Deze is bedoeld om het gebruik van grondontsmettingsmiddelen terug te dringen.
De regeling heeft alleen betrekking op de natte grondontsmettingsmiddelen en houdt een frequentiebeperking in die is gebonden aan vergunningen. Vanaf 2001 mag maximaal eens per vijf jaar op een perceel of perceelsgedeelte nat worden ontsmet. In bepaalde gevallen zijn extra ontsmettingen toegestaan.

De invloed van teeltmaatregelen - Door teeltmaatregelen en bedrijfshygiëne is het mogelijk de populatie aardappelcysteaaltjes te beheersen:

  • Vruchtwisseling en aardappelopslagbestrijding.
    Als in een perceel aardappelcysteaaltjes aanwezig zijn, zal de populatie in één seizoen bij de teelt van een vatbaar ras, gemiddeld 15 - 25 keer zo groot worden. De mate van vermeerdering varieert echter sterk. Als geen waardplant aanwezig is, vermindert het aantal aardappelcysteaaltjes jaarlijks met ongeveer een derde. Naarmate de vruchtwisseling ruimer is, zal ook de opbouw van de populatie trager verlopen. In dit verband speelt aardappelopslag een belangrijke rol. Als opslag voorkomt in een niet-waardgewas zal in plaats van een afname van de populatie een toename plaats kunnen vinden. Bij enkele opslagplanten per vierkante meter kan al gauw een drievoudige vermeerdering van de populatie optreden. Hierdoor wordt het effect van de vruchtwisseling tenietgedaan. Daarom is het van groot belang aardappelopslag tijdig (voor half juni) te bestrijden.
  • Resistente rassen.
    Een belangrijke mogelijkheid om de populatie aardappelcysteaaltjes in de hand te houden, is het inzetten van resistente rassen. Resistente rassen of AM-rassen zijn rassen waarop het aardappelcysteaaltje zich niet kan vermeerderen. Een tegen G. rostochiensis resistent ras kan in een seizoen de populatie aardappelcysteaaltjes met maximaal 80% doen afnemen. De wortels van resistente rassen worden wel beschadigd door aardappelcysteaaltjes. Dit betekent dat een resistent ras, evenals een vatbaar ras, grote schade kan lijden, tenzij het ras tolerant is voor deze wortelbeschadiging. Bij een resistent ras dat weinig tolerant is, is als gevolg van een beperkte wortelontwikkeling, de populatieafname geringer dan 80%.
    Bij het inzetten van resistente rassen is het van groot belang dat een ras met een passende resistentie wordt ingezet. Dus een ras dat resistent is tegen het in het perceel aanwezige pathotype. Het gebruik van een AM-ras dat niet de juiste resistentie heeft, staat veelal gelijk aan het gebruik van een vatbaar ras. Ook bestaat het gevaar van selectie van een ander pathotype. Het is namelijk mogelijk dat in een perceel een mengsel van beide soorten aardappelcysteaaltjes voorkomt of dat verschillende pathotypen van één soort aanwezig zijn. Door de teelt van AM-A- of AM-ABC- resistente rassen wordt in dat geval Ro onderdrukt en zal Pa gaan overheersen. Maar ook binnen een soort kan een verschuiving optreden. Als bijvoorbeeld het pathotype E binnen een D-populatie aanwezig is, wordt door de teelt van het D-resistente ras het pathotype E uitgeselecteerd. Dit is een gevaarlijke ontwikkeling omdat tegen pathotype E nog nauwelijks resistente rassen beschikbaar zijn.
  • Intensieve bemonstering en pathotypebepaling.
    Nieuwe besmettingen van aardappelcysteaaltjes komen veelal in haarden voor. Deze zijn goed op te sporen door middel van intensieve bemonstering. Door haarden vroegtijdig op te sporen, is het mogelijk tijdig goede maatregelen te nemen en zodoende verdere uitbreiding te voorkomen. Het is dan wel nodig om behalve de plaats van de haard ook de soort en het pathotype te laten vaststellen, zodat op basis hiervan een juiste rassenkeuze kan plaatsvinden en eventueel een grondontsmetting kan worden toegepast.
  • Grondontsmetting.
    Grondontsmetting was tot voor kort een veel gebruikte methode om de aaltjespopulatie terug te dringen. Een geslaagde natte grondontsmetting kan op lichte gronden 80% van de populatie doden. In de praktijk wordt dit percentage echter vaak niet gehaald. Op gronden met meer dan 35% afslibbare delen is 80% doding een hoge uitzondering. Daarnaast kan op vele gronden adaptatie een negatieve rol spelen. Dit is het verschijnsel waarbij micro-organismen de werkzame stof van grondontsmettingsmiddelen versneld afbreken, waardoor de dodingsresultaten veel lager zijn. Natte grondontsmetting vertraagt de opbouw van de aaltjespopulatie, maar is niet afdoende. Dit geldt nog sterker voor granulaten. Deze leiden in beperkte mate tot doding.
    Daarnaast veroorzaken ze een tijdelijke verdoving van aaltjes zodat het gewas pas later in het groeiseizoen wordt aangetast. Het gewas is dan al minder gevoelig voor aantasting waardoor een grote opbrengstderving kan worden voorkomen. Vermeerdering vindt echter wel plaats, zodat er toch sprake is van een populatietoename. In feite kan men de schade door aardappelcysteaaltjes, alleen op lichtere gronden met granulaten beperken. Op zwaardere gronden zijn ze weinig effectief en als bestrijdingsmiddel niet goed bruikbaar. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat de besmettingen in de consumptieaardappel teeltgebieden in de meeste gevallen doeltreffend met resistente rassen kunnen worden bestreden. Alleen in geval van een pathotype E-besmetting kan grondontsmetting nodig zijn.
  • Bedrijfshygiëne.
    Voorkomen moet worden dat de grond besmet raakt met aardappelcysteaaltjes. Besmetting kan plaatsvinden door aanvoer van cysten via grond, zoals zeef- en sorteergrond, door grond aan plantgoed en aan machines, zoals bietenrooiers, trekkers en dergelijke en door verstuiven van grond. Dit geldt eveneens voor besmet pootgoed, besmette verse dierlijke mest en besmet schoeisel.

Het maïswortelknobbelaaltje en bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje, Meloïdogyne chitwoodi en Meloïdogyne fallax

Het maïswortelknobbelaaltje is sinds midden jaren tachtig in ons land bekend. Het bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje is sinds 1992 bekend. Laatstgenoemde lijkt veel op eerstgenoemde maar vermeerdert niet op maïs. Beide worden vooral op zandgrond in het zuidoosten van het land aangetroffen. Beide veroorzaken bij hoge beginbesmettingen groeiremming in veel gewassen, waaronder de aardappel. Zwaar aangetaste wortels vertonen kleine knobbeltjes. Beide soorten zijn quarantaineorganismen. Dit bekent dat vermeerderingsmateriaal vrij moet zijn van symptomen.
Zeer lage beginbesmettingen in het voorjaar geven al kwaliteitsproblemen in aardappel. Deze problemen zijn grotendeels te vermijden door de teelt van vroege rassen. Maar dan moeten ze wel vroeg worden geoogst anders blijft de kans op schade bestaan. De aangetaste knollen vertonen bobbels of pukkels vlak onder de schil en bruine plekjes in schors en merg van de knol. In de bobbels bevinden zich de vrouwelijke aaltjes en hun eipakketten. De knolaantasting wordt bevorderd door vocht (beregenen) op het moment dat de jonge aaltjes uit de eieren komen (vanaf begin juli). De aaltjes overwinteren in grond, wortels en knollen. Als de grond gedurende langere tijd zwart wordt gehouden (braak), neemt de populatie van deze wortelknobbelaaltjes weer snel af. Ze zijn zeer gevoelig voor grondontsmetting met fumigantia. Vanwege de grote waardplantenreeks van deze wortelknobbelaaltjes is vruchtwisseling niet of nauwelijks effectief. Wanneer de teelt van een groenbemester noodzakelijk is, dan is bladrammenas voor de beheersing van deze soorten de beste keuze.

Het noordelijk wortelknobbelaaltje, Meloïdogyne hapla

Het noordelijk wortelknobbelaaltje tast vrijwel alle dicotyle gewassen aan waaronder de aardappel. Het aaltje komt alleen voor op lichte zand- en dalgronden. Een aangetast gewas blijft pleksgewijs in mindere of meerdere mate achter in groei. Aangetaste wortels vertonen de karakteristieke knobbeltjes waaruit vaak spinvormig meerdere, zeer kleine zijworteltjes groeien.
Ook neemt bij ernstige aantasting de omvang van het wortelstelsel af. Aardappelknollen worden zelden aangetast. De aantasting op de knollen bestaat uit kleine kratertjes in de schil. De aardappel is matig gevoelig voor schade maar er zijn grote rasverschillen. De aardappel is wel een zeer goede waardplant waarop een sterke vermeerdering van het aaltje plaatsvindt. Andere goede waardplanten zijn onder andere vlinderbloemigen. Niet-waardplanten zijn granen, grassen en maïs. Bij zwarte braak en bij granen, grassen en maïs daalt de besmetting met 80 à 90% per jaar. Schade is ook goed te beperken door een grondontsmetting met fumigantia.

Wortellesieaaltjes, Pratylenchus spp.

Het wortellesieaaltje, Pratylenchus penetrans, is een aaltje dat in zeer veel gewassen schade kan doen. Het wordt vooral aangetroffen op zand- en dalgronden maar kan ook op lichte zavel- en veengronden voorkomen. De aantasting uit zich door een pleksgewijs achterblijvende groei van het gewas. Op de wortels komen langwerpige bruine tot zwarte plekjes voor, de zogenaamde lesies. De plant maakt vaak nieuwe wortels waardoor een bossig wortelstelsel ontstaat. De aardappel is matig gevoelig voor het wortellesieaaltje, hoewel opbrengstdervingen van 50% en meer worden gemeld. De mate waarin schade wordt ondervonden, is mede afhankelijk van de gevoeligheid van het ras. Het wortellesieaaltje bevordert de aantasting door Verticillium dahliae, de schimmel die verwelkingsziekte veroorzaakt. Hierdoor kan de schade nog aanzienlijk toenemen. Als gevolg van de uitgebreide waardplantenreeks is het niet eenvoudig het niveau van Pratylenchus penetrans laag te houden. Vlinderbloemigen spelen in geval van Pratylenchus penetrans een uitermate negatieve rol. Ze laten hoge dichtheden achter. Bieten zijn daarentegen een zeer slechte waardplant en werken bij hoge aanvangsbesmettingen sanerend. Lage dichtheden kunnen zich onder bieten echter wel handhaven. De teelt van afrikaantjes (Tagetes) heeft een sterk bestrijdende werking op Pratylenchus-soorten. Bestrijding door grondontsmetting met fumigantia is zeer effectief. Behalve Pratylenchus penetrans komen ook nog andere soorten wortellesieaaltjes voor. Deze leiden niet tot directe schade maar zijn eveneens in staat de aantasting door Verticillium dahliae te bevorderen en daardoor indirect schade te veroorzaken.

Vrijlevende wortelaaltjes, Trichodoridae

Van de vrijlevende wortelaaltjes zijn voor de aardappel voornamelijk de Trichodorus- en Paratrichodorus-soorten van belang. Ze komen algemeen op lichtere gronden voor en kunnen daar zeer schadelijk zijn. Trichodorus primitivus komt ook voor op wat zwaardere zavelgronden tot circa 25% afslibbaar. Beide groepen aaltjes tasten bij veel plantensoorten de wortels aan en bij de aardappel ook de ondergrondse stengeldelen. Door het vormen van zijwortels krijgt het wortelstelsel een bossig aanzien. Op aangeprikte ondergrondse stengeldelen zijn vaak langwerpige bruine vlekken van afgestorven cellen te zien. Dit kan kromgroeien van het ondergrondse stengeldeel tot gevolg hebben. Bij lichte aantasting wordt alleen de opkomst vertraagd. Bij ernstiger aantasting komen slechts één of enkele stengels boven en blijft soms de hele plant weg. In sommige gevallen kunnen in een perceel tientallen ares vertraagd en slecht bovenkomen. Naast deze directe schade kunnen de vrijlevende aaltjes ook het tabaksratelvirus overbrengen.
Dit virus veroorzaakt afhankelijk van het aardappelras stengelbont in het loof en/of kringerigheid in de knollen. Voor de vatbaarheid van rassen voor kringerigheid wordt verwezen naar de Rassenlijst. Ook de keuze van de groenbemester is van grote invloed. Bladrammenas geniet hierbij duidelijk de voorkeur, vanwege de slechte vermeerdering van het aaltje en het virus op dit gewas. Behalve door het gebruik van bladrammenas als groenbemester is in bouwplanverband aan vrijlevende aaltjes heel weinig te doen. Wel is bestrijding mogelijk door een natte grondontsmetting.

Bladluizen

Bij pootaardappelen is de schade door bladluizen vooral indirect, namelijk door het overbrengen van virusziekten. In consumptieaardappelen is alleen directe schade door bladluizen van belang, namelijk schade als gevolg van zuigen en toprol.

Zuigschade
Zuigschade van economische betekenis treedt niet vaak op. Als er bladluizen aanwezig zijn in het gewas dan zitten ze vooral aan de onderzijde van de bladeren. In de toppen van de stengels kunnen, als er veel luizen in zitten, groeiafwijkingen ontstaan, zogenaamde luizenkoppen. Bladluizen kunnen zich onder gunstige omstandigheden zeer snel vermeerderen. Bij gunstig weer kan een gemengde populatie van jongere en oudere bladluizen in één week vijf keer zo groot worden. Bij aanwezigheid van veel bladluisvijanden, zoals lieveheersbeestjes, zweef- en gaasvliegen, kan een populatie in één week echter ook tien keer zo klein worden .

Toprol
Bladluizen kunnen ook het verschijnsel toprol veroorzaken. De stam Rosa van de aardappeltopluis is hiervoor verantwoordelijk. Bij een beginnende aantasting krullen de bladranden naar boven om. Bij sommige rassen (onder andere Bintje) zien we een donkerpaarse verkleuring van de omgekrulde bladranden optreden. In een later stadium treedt necrose aan de bladranden op, die kan overgaan in afsterving van het gehele blad. Toprol wordt vaak in haarden waargenomen. Vanuit de haarden kan het hele veld egaal worden aangetast. De eerste aantasting wordt meestal niet voor juli waargenomen. Er lijken duidelijke rasverschillen te bestaan met betrekking tot de vatbaarheid voor toprol. Onder andere Bintje kan sterk worden aangetast. Verondersteld wordt dat de aardappeltopluis een toxische stof in het blad brengt, waardoor de rolling ontstaat. Een duidelijke aantasting van het gewas zien we meestal pas, wanneer de bladluisbezetting reeds enige omvang heeft bereikt. Het verschijnsel gaat niet met het pootgoed over.

Voorkomen en bestrijden
Tegen bladluizen dient alleen een bestrijding te worden uitgevoerd als er een kans is op opbrengstderving. Dit is het geval als in een perceel veel zogenaamde "luizenkoppen" voorkomen of als op grote schaal op het blad zwartschimmels gaan groeien als gevolg van honingdauw. Dit beperkt het groene bladoppervlak en remt daardoor de productie. Als in een gewas niet op grote schaal luizenkoppen of zwartschimmels te zien zijn, is een bestrijding in het algemeen pas zinvol als er gemiddeld meer dan 50 bladluizen per volgroeid samengesteld blad voorkomen. In geval van vuilboomluizen, die erg moeilijk te bestrijden zijn, is de norm 25 bladluizen per samengesteld blad. Onder omstandigheden die gunstig zijn voor een snelle vermeerdering van bladluizen kan de norm van 25 bladluizen per samengesteld blad echter te hoog zijn. Onder dergelijke omstandigheden wordt wel de strategie gevolgd van het tegengaan van de opbouw van de populatie. Dat houdt in dat reeds bij een veel lager aantal bladluizen per blad met de bestrijding wordt begonnen.
Toprol is te voorkomen door de aardappeltopluis te bestrijden. Aanbevolen wordt om in gebieden waar in het verleden schade door toprol is opgetreden en waar toprol wordt gevreesd, een bespuiting uit te voeren met een luisdodend middel in de periode van 10 tot 15 juni. Laat ontwikkelde gewassen kunnen het beste omstreeks 15 juni worden gespoten, vroeg ontwikkelde bij voorkeur omstreeks 10 juni. Een schadelijk optreden van toprol kan in de regel met deze ene bespuiting worden voorkomen. Wanneer toprol zichtbaar wordt, heeft het bestrijden van bladluizen geen zin meer. Als bij intensief waarnemen omstreeks half juni blijkt dat in het gewas geen aardappeltopluizen voorkomen dan is een bespuiting niet zinvol.
Indien tegen bladluizen wordt gespoten, is het belangrijk dat dit gebeurt onder goede omstandigheden; dat wil zeggen bij een voldoende hoge relatieve luchtvochtigheid. Op zonnige dagen is de kans hierop het grootst 's avonds laat, eventueel 's morgens vroeg. Voorts moet minimaal 400 liter water per hectare worden gebruikt en een fijne druppel.
Als wordt gespoten, is het belangrijk om de parasieten en roofvijanden van de bladluizen zoveel mogelijk te sparen. Zij helpen mee de bladluispopulatie laag te houden. In dit verband verdient een middel op basis van pirimicarb de voorkeur.

Coloradokever

De coloradokever is ongeveer 1 cm lang en 0,7 cm breed en duidelijk te herkennen aan 10 overlangs zwarte strepen op gele dekschilden. De kever overwintert in de grond. Eind april, begin mei verschijnt de kever en legt geel tot oranje gekleurde eieren op de onderkant van de bladeren van de aardappelplant. De jonge larven zijn donkerrood, maar worden later meer oranjerood. Aan weerszijden van het lichaam hebben ze twee rijen zwarte stippen. Deze larven zijn in ongeveer drie weken volwassen. Zij kruipen dan in de grond om zich te verpoppen. Deze poppen komen nog dezelfde zomer uit en de nieuwe kevers kunnen dan bij goed zomerweer zorgen voor een tweede generatie. De schade die coloradokevers en hun larven veroorzaken, bestaat uit het vreten aan de bladeren. Bij grootschalig optreden kan het gehele gewas worden kaalgevreten. Alleen stengels en bladstelen blijven dan over. Om deze reden was de coloradokever tot in de vijftiger jaren gevreesd, en iedere aardappelteler was dan ook verplicht de coloradokever zo goed mogelijk te bestrijden; niet alleen in aardappelen, maar ook in andere gewassen. Nu komt dit insect in Nederland vrij weinig meer voor. De wettelijke bestrijdingsplicht is sinds 1996 vervallen.

Voorkomen en bestrijden
Het beste tijdstip voor de bestrijding is het moment waarop jonge larven op het gewas worden aangetroffen. Hiervoor zijn verschillende middelen beschikbaar.

Aardappelstengelboorder

De vleeskleurige rups van de bruinrode uil (nachtvlinder) verschijnt eind april, boort zich in stengels en vreet deze inwendig leeg waardoor de stengels verwelken. Aantasting treedt op vanuit slootkanten waar de vlinder haar eieren afzet. Soms komt er plaatselijk in het noordoosten van Nederland aanzienlijke schade voor. Deze schade kan gedeeltelijk worden voorkomen door in augustus en september de begroeiing van slootkanten kort te houden.

Aardrups

De rupsen van uilen, onder andere Agrotis-soorten (nachtvlinders), vreten gaten in aardappelknollen. De rupsen zijn te herkennen aan hun grijsgrauwe kleur en het typische oprollen in een C-vorm. Schade van betekenis treedt doorgaans alleen op in erg warme zomers. Zie voor de bestrijding de Gewasbeschermingsgids.

Ritnaald

Ritnaalden zijn de harde, geelbruine larven van kniptorren. Deze larven, die in 3 tot 5 jaar maximaal 25 mm lang worden, vreten gaatjes en soms ook gangen in de knollen waardoor de waarde van aardappelen sterk achteruit kan gaan. Ze vreten ook aan het pootgoed en aan kiemen en jonge stengels waardoor een onregelmatig gewas kan ontstaan. Het schadelijk optreden van ritnaalden neemt de laatste jaren toe. Om de besmetting van een toekomstig aardappelperceel te kunnen vaststellen bestaat een eenvoudige test. Hierbij wordt zo kort mogelijk voor het poten op een twintigtal plaatsen, langs de randen en op het perceel, op circa 5 cm diepte een halve aardappelknol ingegraven. Na 10 dagen kunnen de knollen worden gecontroleerd op het voorkomen van ritnaalden. Een eventuele bestrijding dient voor het poten te worden uitgevoerd.

Slak

Voor zover bekend veroorzaakt in Nederland alleen de slanke kielslak soms schade aan aardappelen in het veld. Het is een bruinzwarte naaktslak die in de grond leeft en kleine tot grote gaten en holtes in knollen vreet. Ze komen sterk pleksgewijze op percelen voor, vooral op nattere gedeelten. Als men schade door slakken wil tegengaan, moet worden getracht schuilmogelijkheden zoveel mogelijk te beperken. Zorg voor een goede onkruidbestrijding en maak de grond zo fijn mogelijk. In de bewaarplaats doen zich soms problemen voor met de akkeraardslak (ook wel grauwe veldslak genoemd). Deze naaktslak komt op zwaardere grond soms met natte grond mee in de bewaarplaats terecht. De akkeraardslak kan door vraat schade veroorzaken en soms door secundair rot als gevolg van bacteriële ontwikkeling. Ze zitten vaak bovenin opgeslagen partijen, mogelijk door de iets hogere temperatuur en vochtigheid daar. Slijmsporen verraden de aanwezigheid van deze slakken.

Regenworm

Sinds 1993 doen zich op een aantal percelen, vooral kleigrond in Flevoland, vooral als de tweede helft van het groeiseizoen nat is, problemen voor bij het rooien van o.a. aardappelen als gevolg van heel harde en stugge grond. Op deze probleemplekken komen hoge concentraties regenwormen voor. Door de activiteit van de regenwormen vindt verkitting van gronddeeltjes plaats. Na een droge periode resulteert dit in een harde vaste rug die bij het rooien problemen geeft. Er is nog geen oplossing. Onderzoek richt zich op verbetering van de bodemstructuur en het effect van intensiteit van grondbewerkingen.

Andere informatie over regenwormen in aardappelen

Aardappelopslag

Aardappelopslag uit knollen

Bij de oogst van aardappelen blijven vaak tussen de 20.000 en 300.000 knollen per hectare op het veld achter. Dit zijn grotendeels ondermaatse knollen, maar er kan ook nog een aanzienlijk deel marktbare knollen bij zijn. Een ernstig probleem ontstaat wanneer deze achtergebleven knollen in de grond overwinteren. In het volgende gewas kunnen dan grote aantallen opslagplanten voorkomen.
Deze opslagplanten vormen een lastig en hardnekkig onkruid dat het eigenlijke gewas beconcurreert. Veel ernstiger zijn echter de fytosanitaire gevolgen van opslag. Vanwege de aardappelopslag kunnen allerlei ziekten, die in het gewas aardappelen problemen geven, zich veel gemakkelijker handhaven en zich soms zelfs uitbreiden.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij aardappelcysteaaltjes, Phoma en Rhizoctonia. Het effect van vruchtwisseling kan hiermee bij sommige organismen teniet worden gedaan. Ook Phytophthora en virusziekten kunnen zich verspreiden vanuit aardappelopslag. Daarom is het van groot belang opslag te voorkomen of zonodig tijdig te bestrijden.

Aardappelopslag uit zaad

Sommige rassen vormen veel bessen. Hiermee worden enorme hoeveelheden kiemkrachtig zaad gevormd. Bij rassen als Saturna, Désirée, Hansa, Van Gogh en Morene gaat het daarbij om aantallen van honderd tot tweehonderd miljoen zaden per hectare. Dit zaad blijft in de bouwvoor voor een deel minstens 10 jaar kiemkrachtig. Enerzijds kan de zaadopslag in sommige gewassen een lastig te bestrijden onkruid zijn, anderzijds kunnen ziekten en plagen, in het bijzonder het aardappelcysteaaltje, zich via opslag in stand houden en vermeerderen. Dit geldt ook voor de knolletjes die door de zaailingen worden geproduceerd. Als in de toekomst een deel van het Bintje-areaal wordt vervangen door andere, AM-resistente en minder Phytophthora-gevoelige, rassen betekent dat, dat het areaal aardappelen dat bessen vormt waarschijnlijk verder zal toenemen.

Voorkomen en bestrijden
Bij het rooien moeten rooiverliezen worden voorkomen. Deze worden voor een deel veroorzaakt door fouten in de teelttechniek, zoals onjuiste rugopbouw, ongelijke rijenafstand, slecht geklapt loof, onkruid, te brede trekkerbanden of een onjuiste spoorbreedte tijdens het rooien. Ook kunnen tijdens het rooien verliezen optreden als gevolg van een te grote afstand tussen de spijlen van de zeefkettingen en van een onjuiste afstelling en lekken in de rooimachine.
Een manier om knollen te vernietigen, is ze in de winter te laten bevriezen. Het vriest echter niet iedere winter overal in Nederland voldoende om hierop volledig te kunnen vertrouwen. De kans is echter het grootst als de knollen zoveel mogelijk aan de oppervlakte blijven. Dit kan door in plaats van te ploegen een niet-kerende grondbewerking uit te voeren met behulp van een vaste-tandcultivator.
Hierbij moet de grond dan na aardappelen in één bewerking tot bouwvoordiepte zodanig worden bewerkt, dat een grove ligging wordt verkregen. Mechanisch valt er in het volggewas na aardappelen weinig te doen tegen opslag. Afschoffelen of onderwerken vertraagt de groei, maar de plant komt weer terug. Tot wel zes keer toe. Bij hakken is de beste methode om de planten boven de grond te halen. Chemisch, met glyfosaat, lukt het beter. Iedere bovenkomende stengel moet dan met middel worden aangestreken. Hiervoor zijn onkruidstrijkers ontwikkeld die zowel in stroken als volvelds de opslagplanten kunnen raken en handmatige apparatuur om de planten individueel aan te stippen.