Aaltjesmanagement in de akkerbouw - aaltjesschema
| Inhoudsopgave | ||
|
||
1. Inleiding
Het aaltjesschema geeft een samenvatting van de beschikbare informatie. Er is gekozen voor de opzet zoals die in 1968 is gebruikt door Oostenbrink en Hijink. Een groot deel van de informatie is gebaseerd op onderzoek uitgevoerd in de afgelopen 10 jaar.
Verticaal staan de gewassen in logische groepen geordend. Horizontaal staan de aaltjessoorten groepsgewijs weergegeven, aangevuld met een kolom voor het Tabaksratelvirus (TRV).
De vermelde gewassen zijn "gangbaar" geteeld. De gegevens van de groenbemesters zijn gebaseerd op een teelt binnen de zomerbraak. Wanneer deze gewassen als herfstbraak worden geteeld, zal de vermeerdering van aaltjes in het algemeen lager uitvallen.
2. Waardplantgeschiktheid
De waardplantgeschiktheid is de mate waarin een aaltje zich op een gewas kan vermeerderen. Aaltjes die meer dan één generaties per jaar op een gewas voortbrengen, kunnen in één seizoen de besmetting van lage dichtheden tot maximale dichtheden opkrikken. Hoe hoog die maximale dichtheid is, hangt af van het gewas.
De tabel geeft weer wat de rol is van een gewas in een bouwplan. Daarom wordt als waardplantgeschiktheid aangegeven welk besmettingsniveau het gewas na de teelt, in het voorjaar achterlaat. Uitgangspunt daarbij is de teelt van het gewas zonder opvolgende groenbemester. De wintersterfte van de aaltjes wordt zo in de waardplantstatus meegewogen.
Een niet gangbare teeltwijze, bijvoorbeeld het verkorten of verlengen van de teeltduur, of een afwijkende teeltperiode kan tot afwijkende besmettingsniveaus leiden.
De absolute aantallen aaltjes verschillen sterk per aaltjessoort. De waardplantgeschiktheid is daarom opgedeeld in de volgende vermeerderingsklassen:
| •••sterk; | Het gewas laat hoge aantallen aaltjes na. |
| ••matig; | Het gewas laat matige besmettingsniveaus na. |
| •weinig; | Het aaltje kan zich op dit gewas maar weinig vermeerderen. De nagelaten besmettingsniveaus zijn laag. |
| - niet; | Het aaltje kan zich niet vermeerderen op een gewas. Tijdens een teelt van zo'n gewas daalt de populatie net zo sterk als wanneer het perceel in een volledig zwarte braak zou liggen. |
| -- actieve afname; | In een beperkt aantal gevallen is de afname van aaltjes tijdens een teelt duidelijk sterker dan een vergelijkbare braakperiode zou bewerkstelligen. Dergelijke gewassen lokken de aaltjes uit hun rustfase, maar zijn geen voedingsbron. De gelokte aaltjes verhongeren. |
| R | Geeft aan dat binnen de weergegeven vermeerdering rasverschillen bestaan. |
| ? | Onbekend. |
3. Schadegevoeligheid
Met schadegevoeligheid wordt aangegeven in welke mate het gewas schade ondervindt van de betreffende aaltjessoort. Schade wordt veroorzaakt door de combinatie van schadegevoeligheid van het gewas en het aantal aaltjes bij aanvang van de teelt (besmettingsniveau).
De schade kan slaan op verlies in fysieke opbrengst maar ook op vermindering van kwaliteit.
Met de volgende kleuren wordt de schadegevoeligheid weergegeven:
| Wit | Onbekend | |
| Groen | Niet gevoelig | Schade is nooit gemeten, ook niet bij hoge aantallen. |
| Geel | Weinig gevoelig | Zelfs bij hoge aantallen aaltjes treedt slechts beperkte schade (5 - 15%) op |
| Oranje | Matig gevoelig | Bij lage aantallen aaltjes valt geen schade te verwachten. Hogere aantallen leiden tot schadeniveaus tussen de 15 en 33%. |
| Paars | Sterk gevoelig | Een gering aantal aaltjes kan al forse schade veroorzaken. De teelt van een dergelijk gewas vraagt om problemen en een volledige misoogst is mogelijk. |
Een naar de laatste inzichten aangepast aaltjesschema is beschikbaar in pdf-formaat (1,8 MB).
Het schema kan door u op maat worden gemaakt op de website Aaltjesschema.nl.
