Stikstofbenutting van vloeibare stikstofmeststoffen in de teelt van aardappelen

04/03/2013 - R. Rutgers en J.T. Malda - ALTIC

Waar gaat dit over?

Met name bij vloeibare meststoffen bestaat er een reële kans op verlies van stikstof door vervluchtiging. Dit verlaagt de efficiëntie van meststoffen. In 2010 is driejarig onderzoek gestart om het effect van vloeibare meststoffen (Urean, Ureum en NTS) in de teelt van aardappelen te onderzoeken, waarbij ook het effect van de hoogte van de N-gift en het effect van een overbemesting van 50 kg N/ha bij een basisgift van 200 kg N/ha onderzocht.

De hoogste opbrengsten werden in zuid- en noordoost-Nederland gerealiseerd bij 200 kg N/ha, terwijl in het centrale kleigebied 250 kg N/ha tot de hoogste opbrengst leidde. Overbemesting van 50 kg N/ha bij een basisbemesting van 200 kg N/ha had geen duidelijke verhoging van de opbrengst tot gevolg. De N-recovery (een maatstaf voor de benutting van de toegediende stikstofgift) van Urean was op alle locaties meerjarig lager dan die van KAS. NTS en Ureum hadden een vrijwel gelijke N-recovery als KAS.

Inleiding

Stikstofverlies door ammoniakvervluchtiging verlaagt de efficiëntie van stikstofmeststoffen. Met name bij vloeibare meststoffen bestaat er een reële kans op verlies van stikstof door vervluchtiging. In de teelt van aardappelen worden vloeibare meststoffen regelmatig als basisbemesting toegepast. De efficiëntie van N-meststoffen is een belangrijk criterium bij de meststofkeuze.
In opdracht van Productschap Akkerbouw is daarom in 2010 een driejarig onderzoek gestart om het effect van vloeibare meststoffen (Urean, Ureum en NTS) in de teelt van aardappelen te onderzoeken. Hierbij is tevens het effect van de hoogte van de N-gift (0, 130, 150, 200 en 250 kg N/ha) en het effect van een overbemesting van 50 kg N/ha bij een basisgift van 200 kg N/ha onderzocht. Het onderzoek is uitgevoerd in het zuidoosten van Nederland (Vredepeel), Flevoland (centrale kleigebied) en het noordoostelijk zetmeelgebied (Rolde).

Resultaten

De hoogste opbrengsten werden in zuid- en noordoost-Nederland gerealiseerd bij 200 kg N/ha, terwijl in het centrale kleigebied 250 kg N/ha tot de hoogste opbrengst leidde. Overbemesting van 50 kg N/ha bij een basisbemesting van 200 kg N/ha had gemiddeld genomen over de drie jaren, en op de drie locaties, geen duidelijke verhoging van de opbrengst tot gevolg. De N-recovery (een maatstaf voor de benutting van de toegediende stikstofgift) bleek af te nemen naarmate de stikstofgift werd verhoogd.

Meerjarig effect van Urean

Wat betreft opbrengst (maat 40-op) leek Urean (iets) achter te blijven ten opzichte van KAS, NTS en Ureum vloeibaar. Een lagere stikstofafvoer van Urean werd zowel vastgesteld in de Flevopolder als in zuidoost-Nederland. Op beide locaties bleek de reductie in N-afvoer zowel het gevolg van een lagere opbrengst als van een lager N-gehalte. Dit beeld staat in contrast met de prestaties van Urean in noordoost-Nederland waar de gemiddelde stikstofafvoer op hetzdelfde niveau lag als KAS. In de Flevopolder bleek het (negatieve) opbrengsteffect mee te vallen. De lagere N-afvoer in de Flevopolder werd vooral veroorzaakt door een lager N-gehalte. Urean resulteerde in zuidoost-Nederland echter wel tot een opbrengstvermindering en ook een lager N-gehalte. Voor zowel opbrengst als N-afvoer leidde 150 kg N/ha met Urean tot een vergelijkbaar (Flevoland en Rolde) tot slechter (Vredepeel) resultaat als 130 kg N/ha uit KAS. Hierdoor lag op alle locaties de N-recovery van Urean meerjarig lager dan bij KAS.

Meerjarig effect van NTS

NTS (150 kg N/ha) leidde tot een vergelijkbare opbrengst en N-afvoer als 150 kg N/ha met KAS en leidde tot een vrijwel gelijke N-recovery. Alleen bij zetmeelaardappelen in Rolde leidde NTS in 2010 tot een verlaging van het uitbetalingsgewicht in vergeleking met KAS. In Rolde (zetmeelaardappelen) leek de N-afvoer en N-recovery van NTS meerjarig lager dan van KAS (niet significant).

Meerjarig effect van Ureum vloeibaar

Gemiddeld over drie jaren presteerde vloeibare Ureum in Flevoland en Vredepeel wat betreft opbrengst gelijkwaardig aan KAS. In het onderzoek bleek echter ook dat Ureum vloeibaar in zowel Flevoland, Rolde als Vredepeel een minder consequent beeld gaf in de verschillende jaren qua opbrengst. Wat betreft N-afvoer en N-recovery is het beeld voor vloeibare Ureum vergelijkbaar aan de opbrengst; Ureum had een wisselend effect op opbrengst ten opzichte van KAS. Het ene jaar presteerde Ureum beter dan KAS en het andere jaar minder. Bij zetmeelaardappelen in Rolde leidde vloeibare Ureum tot een significant lagere N-afvoer dan KAS, waardoor ook de N-recovery voor vloeibare Ureum bij zetmeelaardappelen lager was dan van KAS.

Figuur 1. Het effect van de N-meststof op de relatieve opbrengst in de maat 40/- of de zetmeelopbrengst.

Figuur 2. Het effect van de N-meststof op de relatieve N-afvoer met de geoogste knollen.